Polidict Logo
افتح التطبيقتسجيل الدخول

ابقَ على تواصل

احصل على تحديثات المنتج وأخبار الميزات الجديدة.

أدخل بريدك الإلكتروني
اشترك

تواصل معنا

أبلغ عن مشاكل أو قدّم طلبًا عبر البريد الإلكتروني support@polidict.com

الصفحات

الرئيسيةمن نحنالمدونةالأسعارخارطة الطريق

المجموعات

كلمات إنجليزيةكلمات إسبانيةكلمات أوكرانيةكلمات بولنديةكلمات فرنسيةكلمات ألمانيةكلمات إيطاليةكلمات كوريةكلمات يابانيةكلمات سويديةكلمات عربيةكلمات هولنديةكلمات صينية

تابعنا

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

لغة الموقع & المظهر

ar
النظام

صنع بواسطة Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
سياسة الخصوصيةشروط الخدمة
  1. المجموعات المنتقاة
  2. أهم 3000 كلمة

أهم 3000 كلمة

أهم 3000 كلمة هولندية

te
/teː/

partikel dat samen met een werkwoord een infinitief vormt, of een bijwoord dat 'in te grote mate' aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Hij probeerde te slapen maar kon niet.

• Het is te warm om buiten te werken.

niet
/nit/

bijwoord van ontkenning dat aangeeft dat iets niet het geval is

bijwoord

أمثلة:

• Ik ga vandaag niet naar school.

• Dat klopt niet helemaal.

zijn
/zɛin/

koppelwerkwoord dat een toestand, hoedanigheid of identiteit uitdrukt

werkwoord

أمثلة:

• Hij is dokter van beroep.

• De kinderen zijn moe na een lange dag.

nog
/nɔx/

bijwoord dat aangeeft dat een toestand of handeling voortduurt of aanvullend is

bijwoord

أمثلة:

• Ze slaapt nog, wakker haar niet.

• Wil je nog een kopje koffie?

hebben
/ˈhɛbən/

werkwoord dat bezit, beschikking of een hulpwerkwoordfunctie uitdrukt

werkwoord

أمثلة:

• Wij hebben een grote hond.

• Ze heeft haar huiswerk al gemaakt.

meer
/meːr/

bijwoord of bijvoeglijk naamwoord dat een grotere hoeveelheid of mate aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Ze heeft meer geduld nodig.

• Ik wil meer weten over dit onderwerp.

zo
/zoː/

bijwoord dat een manier, mate of overeenkomst uitdrukt

bijwoord

أمثلة:

• Doe het zo, dan gaat het makkelijker.

• Hij is zo moe dat hij niet meer kan denken.

al
/ɑl/

bijwoord dat aangeeft dat iets eerder is gebeurd dan verwacht of reeds het geval is

bijwoord

أمثلة:

• Ben je al klaar met eten?

• Ze is al vertrokken voordat ik aankwam.

wel
/ʋɛl/

bijwoord dat bevestiging, toegeving of nadruk uitdrukt, soms als tegenstelling tot 'niet'

bijwoord

أمثلة:

• Ik heb het wel geprobeerd, maar het lukte niet.

• Dat is wel een mooie oplossing.

worden
/ˈʋɔrdən/

werkwoord dat een overgang naar een nieuwe toestand of hoedanigheid uitdrukt

werkwoord

أمثلة:

• Ze wil later dokter worden.

• Het wordt steeds warmer buiten.

nu
/nyː/

bijwoord dat het huidige moment aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Wat doe jij nu?

• Nu is het tijd om te beginnen.

veel
/veːl/

bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat een grote hoeveelheid of mate aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Er zijn veel mensen op het plein.

• Ze heeft veel ervaring met dit werk.

jaar
/jaːr/

tijdseenheid van twaalf maanden of 365 dagen

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze woont al vijf jaar in Amsterdam.

• Vorig jaar was de zomer erg warm.

hoe
/hu/

vragend bijwoord dat naar de manier of wijze vraagt

bijwoord

أمثلة:

• Hoe gaat het met jou?

• Ik weet niet hoe ik dit moet oplossen.

waar
/ʋaːr/

vragend bijwoord dat naar een plaats vraagt

bijwoord

أمثلة:

• Waar ben jij naartoe gegaan?

• Ik weet niet waar hij woont.

goed
/xut/

bijvoeglijk naamwoord dat een positieve kwaliteit, correctheid of deugdzaamheid aanduidt

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Ze heeft een goed resultaat behaald op haar examen.

• Hij is een goede vriend voor mij.

gaan
/xaːn/

werkwoord dat beweging van een plaats naar een andere aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• We gaan morgen naar het strand.

• Hoe gaat het met je?

doen
/dun/

werkwoord dat het verrichten van een handeling of activiteit aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Wat doe jij dit weekend?

• Ze doet haar best op school.

andere
/ˈɑndeːrə/

bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets of iemand verschilt van het eerder genoemde

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Er zijn andere manieren om dit probleem op te lossen.

• Ze wil graag andere mensen leren kennen.

hier
/hir/

bijwoord van plaats dat verwijst naar de plek waar de spreker zich bevindt

bijwoord

أمثلة:

• Kom hier, ik wil je iets laten zien.

• Hier is het altijd druk op vrijdag.

maken
/ˈmaːkən/

werkwoord dat het vervaardigen, produceren of veroorzaken van iets aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Hij maakt elke dag zijn bed op.

• Ze maakt prachtige schilderijen.

twee
/tʋeː/

het getal dat volgt op één en voorafgaat aan drie

telwoord

أمثلة:

• Er staan twee stoelen aan de tafel.

• Ze heeft twee zussen en een broer.

weer
/ʋeːr/

bijwoord dat herhaling of terugkeer aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Hij is weer terug van vakantie.

• Ze begon weer opnieuw na haar mislukking.

zien
/zin/

werkwoord dat het waarnemen met de ogen of het begrijpen van iets aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Ik zie een grote vogel in de boom.

• Ze wil haar vrienden graag zien.

eerste
/ˈeːrstə/

rangtelwoord dat de positie voor alle anderen in een reeks aanduidt

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Ze was de eerste die aankwam.

• Het eerste hoofdstuk van het boek is erg boeiend.

echt
/ɛxt/

bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat echtheid, authenticiteit of grote mate aanduidt

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Dit is een echt gouden ring.

• Ze is echt blij met haar cadeau.

daar
/daːr/

bijwoord van plaats dat verwijst naar een plek op afstand van de spreker

bijwoord

أمثلة:

• Kijk, daar staat de kerk.

• Hij woont daar al tien jaar.

heel
/heːl/

bijwoord dat een hoge mate aanduidt, of bijvoeglijk naamwoord dat volledigheid aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Ze is heel vriendelijk tegen iedereen.

• Hij heeft de hele dag gewerkt.

dag
/dɑx/

tijdseenheid van vierentwintig uur, of de periode van licht tussen zonsopgang en zonsondergang

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Het was een mooie, zonnige dag.

• Ze werkt vijf dagen per week.

tijd
/tɛit/

de voortschrijdende stroom van gebeurtenissen, of een bepaalde periode daarbinnen

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ik heb geen tijd om nu te praten.

• Ze heeft veel tijd besteed aan haar studie.

komen
/ˈkoːmən/

werkwoord dat beweging naar de spreker of een aangewezen plek aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Ze komt morgen bij ons eten.

• Wanneer kom jij naar Nederland?

leven
/ˈleːvən/

het bestaan van een levend wezen, of de totale duur van iemands bestaan

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze heeft een gelukkig leven geleid.

• Het leven in de stad is heel anders dan op het platteland.

altijd
/ˈɑltɛit/

bijwoord dat aangeeft dat iets in alle omstandigheden of voortdurend het geval is

bijwoord

أمثلة:

• Ze is altijd vriendelijk tegenover iedereen.

• Hij zorgt er altijd voor dat hij op tijd is.

laten
/ˈlaːtən/

werkwoord dat toestemming geven, iemand iets laten doen of nalaten uitdrukt

werkwoord

أمثلة:

• Ze laat haar kinderen zelf beslissen.

• Laat me even nadenken.

waarom
/ˈʋaːrɔm/

vragend bijwoord dat naar de reden of oorzaak vraagt

bijwoord

أمثلة:

• Waarom ben je zo laat?

• Ik begrijp niet waarom ze dat heeft gedaan.

gewoon
/ˈxeːʋoːn/

bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat normaliteit, alledaagsheid of simpelheid aanduidt

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Het is een gewone dag, niets bijzonders.

• Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

man
/mɑn/

een volwassen mannelijk persoon

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• De man loopt door het park.

• Hij is een vriendelijke man.

terug
/ˈteːrʏx/

bijwoord dat terugkeer naar een eerdere positie of toestand aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Ze is terug van haar vakantie.

• Ga terug naar je kamer.

laat
/laːt/

bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets na het verwachte of afgesproken tijdstip plaatsvindt

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• De trein is laat, we moeten wachten.

• Ze werkt altijd laat en komt pas om middernacht thuis.

uur
/yːr/

tijdseenheid van zestig minuten

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• De vergadering duurt twee uur.

• Hij werkt acht uur per dag.

steeds
/steːds/

bijwoord dat voortduring of herhaling aanduidt, soms met toenemende intensiteit

bijwoord

أمثلة:

• Het wordt steeds warmer in de zomer.

• Ze vraagt steeds hetzelfde.

eigen
/ˈɛixən/

bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets aan de persoon zelf toebehoort of kenmerkend voor hem is

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Ze heeft haar eigen appartement.

• Hij werkt liever op zijn eigen manier.

weg
/ʋɛx/

verharde of onverharde strook land bestemd voor verkeer, of bijwoord dat verwijdering aanduidt

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• De weg naar de stad is afgesloten.

• Hij is weg, je kunt hem nu niet bereiken.

binnen
/ˈbɪnən/

bijwoord of voorzetsel dat een positie aan de binnenkant of binnen een bepaalde termijn aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Kom binnen, de deur staat open.

• We moeten dit binnen een week afmaken.

nooit
/noːit/

bijwoord dat aangeeft dat iets op geen enkel moment heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden

bijwoord

أمثلة:

• Hij is nooit te laat voor zijn werk.

• Ik heb dit boek nooit gelezen.

één
/één/

het getal 1, of het lidwoord dat een enkelvoudig onbepaald object aanduidt met nadruk op uniciteit

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Er is maar één oplossing voor dit probleem.

• Ik heb één broer en twee zussen.

drie
/dri/

het getal dat volgt op twee en voorafgaat aan vier

telwoord

أمثلة:

• Ze heeft drie katten.

• Het duurt nog drie dagen.

aantal
/ˈaːntɑl/

een bepaalde hoeveelheid van iets dat geteld kan worden

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Er is een groot aantal mensen aanwezig.

• Het aantal auto's op de weg neemt toe.

geven
/ˈxeːvən/

werkwoord dat het overdragen of verstrekken van iets aan iemand aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Ze geeft haar man een cadeau.

• De leraar geeft uitleg over het nieuwe onderwerp.

samen
/ˈsaːmən/

bijwoord dat aangeeft dat twee of meer personen of dingen gezamenlijk iets doen of zijn

bijwoord

أمثلة:

• Ze gaan samen op vakantie.

• We kunnen dit probleem beter samen oplossen.

vinden
/ˈvɪndən/

werkwoord dat het aantreffen van iets of het hebben van een mening aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Ik kan mijn sleutels niet vinden.

• Wat vind jij van dit plan?

snel
/snɛl/

bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat een grote snelheid of korte tijdsduur aanduidt

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Ze rijdt snel op de snelweg.

• Hij heeft een snelle computer.

deel
/deːl/

een gedeelte of onderdeel van een geheel

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Een groot deel van de bevolking stemt niet.

• Het eerste deel van het boek is het spannendst.

huis
/hœys/

een gebouw dat als woning dient

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze wonen in een groot huis.

• Het huis heeft drie slaapkamers.

laatste
/ˈlaːtstə/

bijvoeglijk naamwoord dat de positie aan het einde van een reeks of de meest recente aanduidt

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Dit is de laatste keer dat ik je waarschuw.

• Heb je het laatste nieuws al gehoord?

nodig
/ˈnoːdɪx/

bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets vereist of onmisbaar is

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Heb je alles nodig voor het recept?

• Het is nodig om elke dag te oefenen.

vrouw
/vrʌuʋ/

volwassen vrouwelijk persoon

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Er is een vrouw aan de deur.

• Zijn vrouw werkt als arts.

weten
/ˈʋeːtən/

werkwoord dat het bezitten van kennis of informatie over iets aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Weet jij waar mijn sleutels zijn?

• Ik weet niet wat ik moet doen.

krijgen
/ˈkrɛixən/

werkwoord dat het ontvangen of verwerven van iets aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Ze krijgt morgen haar resultaten.

• Hij heeft een nieuwe baan gekregen.

allemaal
/ˈɑleːmaːl/

bijwoord of voornaamwoord dat alle personen of zaken in een groep aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Ze zijn allemaal uitgenodigd voor het feest.

• Dat is allemaal goed en wel, maar wat nu?

beter
/ˈbeːtər/

vergrotende trap van 'goed'; van hogere kwaliteit of meer herstel na ziekte

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Ze voelt zich vandaag beter dan gisteren.

• Dit restaurant is beter dan het andere.

erg
/ɛrx/

bijwoord dat een hoge mate aanduidt, of bijvoeglijk naamwoord dat iets ergs of vervelends aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Dat is erg jammer van je.

• Ze is erg moe na de lange reis.

staan
/staːn/

werkwoord dat een verticale positie op de benen aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Ze staat al een uur in de rij.

• Er staat een fiets voor de deur.

zeggen
/ˈzɛxən/

werkwoord dat het uiten van woorden of het mededelen van iets aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Wat wil je daarmee zeggen?

• Ze zei dat ze morgen komt.

land
/lɑnt/

een afgebakend grondgebied met eigen bestuur en bevolking; natie

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Nederland is een klein land met veel inwoners.

• Ze woont al jaren in een ander land.

naam
/naːm/

het woord of de woorden waarmee een persoon, dier, ding of concept aangeduid wordt

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Wat is uw naam?

• De naam van de straat is Kalverstraat.

zeker
/ˈzeːkər/

zeker geeft zekerheid of bevestiging aan

bijwoord

أمثلة:

• Ik ben er zeker van dat hij gelijk heeft.

• Ze komt zeker op het feest.

misschien
/ˈmɪssxin/

bijwoord dat onzekerheid of mogelijkheid aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Misschien komt ze morgen.

• Dat is misschien een goed idee.

stad
/stɑt/

een grote en dichtbevolkte nederzetting met stedelijke voorzieningen

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Amsterdam is de grootste stad van Nederland.

• Ze woont liever in een stad dan op het platteland.

houden
/ˈhʌudən/

werkwoord dat het vasthouden, bewaren of affectie voor iets aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Ze houdt van haar kinderen.

• Hij houdt de deur open voor haar.

blijven
/ˈblɛivən/

werkwoord dat het voortduren van een toestand of het niet weggaan aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Ze blijft vanavond thuis.

• Het weer blijft de hele week slecht.

graag
/xraːx/

bijwoord dat bereidheid, voorkeur of vriendelijk verzoek aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Ik drink graag koffie 's ochtends.

• Mag ik graag een glas water?

verder
/ˈvɛrdər/

bijwoord dat voortzetting, grotere afstand of verdere ontwikkeling aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• We moeten verder gaan met het werk.

• Verder had ik niets meer te zeggen.

wanneer
/ˈʋɑneːr/

vragend bijwoord dat naar het tijdstip van een gebeurtenis vraagt

bijwoord

أمثلة:

• Wanneer kom je naar huis?

• Ik weet niet wanneer ze vertrekt.

beste
/ˈbɛstə/

overtreffende trap van 'goed'; van de hoogste kwaliteit of waarde

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Dit is het beste restaurant in de stad.

• Ze is de beste studente van haar klas.

lang
/lɑŋ/

bijvoeglijk naamwoord dat een grote lengte of lange tijdsduur aanduidt

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Ze heeft lang haar.

• Het was een lange reis van tien uur.

vandaag
/ˈvɑndaːx/

bijwoord dat de huidige dag aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Vandaag is het mooi weer.

• Ze heeft vandaag een belangrijke vergadering.

vragen
/ˈvraːxən/

werkwoord dat het stellen van een vraag of het verzoeken om iets aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Ze vroeg hem om hulp.

• Mag ik iets vragen?

eerst
/eːrst/

bijwoord dat aangeeft dat iets voor alles andere plaatsvindt

bijwoord

أمثلة:

• Eet eerst je groente op.

• Ze wilde eerst nadenken voor ze antwoordde.

vraag
/vraːx/

een zin of uitdrukking waarmee om informatie, uitleg of een antwoord wordt gevraagd

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Mag ik een vraag stellen?

• Ze kon de moeilijke vraag niet beantwoorden.

gebruikt
/ˈxɛbrœykt/

bijvoeglijk naamwoord of werkwoordsvorm die aangeeft dat iets in gebruik is genomen of eerder gebruikt is

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Hij heeft een gebruikte auto gekocht.

• Dit gereedschap wordt veel gebruikt in de bouw.

wereld
/ˈʋeːrəlt/

de aarde met al haar bewoners en landen, of het geheel van menselijke beschaving

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze wil de wereld rondreizen.

• De wereld verandert snel door technologie.

helemaal
/ˈheːleːmaːl/

bijwoord dat volledige mate of completheid aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Ze is helemaal klaar met haar studie.

• Dat klopt helemaal niet.

lijkt
/lɛikt/

derde persoon enkelvoud van 'lijken': aanduiding van schijn of gelijkenis

werkwoord

أمثلة:

• Het lijkt me een goed idee.

• Ze lijkt op haar moeder.

foto
/ˈfoːtoː/

een afbeelding gemaakt met een fototoestel of camera

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze heeft een mooie foto gemaakt van de zonsondergang.

• Hij post elke dag een foto op sociale media.

geld
/xɛlt/

het ruilmiddel in een economie, bestaande uit munten en bankbiljetten

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze heeft niet genoeg geld om een auto te kopen.

• Hij verdient veel geld met zijn werk.

vooral
/ˈvoːrɑl/

bijwoord dat nadruk legt op iets dat in het bijzonder of boven alles geldt

bijwoord

أمثلة:

• Ze houdt vooral van klassieke muziek.

• Vooral 's avonds is het rustig in het park.

nemen
/ˈneːmən/

werkwoord dat het pakken, grijpen of in bezit nemen van iets aanduidt

werkwoord

أمثلة:

• Ze neemt elke ochtend de trein naar haar werk.

• Neem een stoel en ga zitten.

vaak
/vaːk/

bijwoord dat een hoge frequentie van herhaling aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Ze gaat vaak naar het museum.

• Hij is vaak te laat voor vergaderingen.

groot
/xroːt/

bijvoeglijk naamwoord dat een grote omvang, grootte of betekenis aanduidt

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Ze wonen in een groot huis.

• Het is een groot probleem voor de gemeente.

natuurlijk
/ˈnaːtyːrlɛik/

bijwoord dat vanzelfsprekendheid benadrukt, of bijvoeglijk naamwoord dat iets uit de natuur aanduidt

bijwoord

أمثلة:

• Natuurlijk kan ik je helpen.

• Ze gebruikt alleen natuurlijke ingrediënten.

bijna
/ˈbɛinaː/

bijwoord dat aangeeft dat iets nagenoeg of bijna het geval is maar niet helemaal

bijwoord

أمثلة:

• Ze is bijna klaar met haar scriptie.

• Het is bijna middernacht.

mooi
/moːi/

bijvoeglijk naamwoord dat esthetische schoonheid of aangenaamheid aanduidt

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Het schilderij is heel mooi.

• Wat een mooie dag om buiten te zijn.

week
/ʋeːk/

een periode van zeven opeenvolgende dagen

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Volgende week ga ik op vakantie.

• Ze werkt vijf dagen per week.

dood
/doːt/

het ophouden van alle levensprocessen; het tegenovergestelde van leven

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• De dood van zijn vader was een grote klap.

• Ze is bang voor de dood.

familie
/ˈfaːmili/

een groep mensen die door bloedverwantschap of huwelijk met elkaar verbonden zijn

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze brengt de feestdagen door met haar familie.

• De hele familie was aanwezig bij de bruiloft.

nieuws
/ˈniʏʋs/

recente informatie over actuele gebeurtenissen die nog niet algemeen bekend is

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Heb je het laatste nieuws gehoord?

• Ze kijkt elke avond het nieuws.

website
/ˈʋɛbsitə/

een verzameling van webpagina's op het internet onder één domeinnaam

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Bezoek onze website voor meer informatie.

• De website is gisteren gelanceerd.

online
/ˈɔnlinə/

verbonden met het internet; beschikbaar via internet

bijvoeglijk naamwoord

أمثلة:

• Je kunt het formulier online invullen.

• De winkel is ook online bereikbaar.

moment
/ˈmoːmənt/

een kort tijdstip of ogenblik

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Wacht even, ik kom zo terug — het duurt een moment.

• Op dat moment besefte hij de ernst van de situatie.

  • السابق
  • 1
  • 2
  • 3
  • More pages
  • 30
  • التالي