kleine, ronde, donkerblauwe bes die zoet van smaak is en in bossen en heidevelden groeit
zelfstandig naamwoord
例句:
• We plukten een emmer bossen vol met bosbessen tijdens onze wandeling.
• Ze maakte een taart met verse bosbessen en slagroom.
kleine, rode of roze vrucht met een zoetige en licht zure smaak, bestaande uit meerdere kleine steenvruchtjes
zelfstandig naamwoord
例句:
• Hij plukte een handvol frambozen rechtstreeks van de struik.
• Frambozen zijn heerlijk in een smoothie of op een yoghurt.
zwarte, glanzende bes die groeit aan doornige struiken langs bosranden en wegranden
zelfstandig naamwoord
例句:
• De kinderen kwamen met paarse vingers thuis na het plukken van braambessen.
• Langs het pad groeiden braamstruiken vol met rijpe braambessen.
kleine, ronde, zure rode bes die vooral bekend is als sap of in gedroogde vorm
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze dronk elke ochtend een glas cranberrysap.
• Gedroogde cranberry's worden vaak toegevoegd aan salades en muesli.
een kleine, oranjegele steenvrucht met een zachte schil en een zoete, licht zure smaak
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze maakte een taart met verse abrikozen uit de tuin.
• De abrikoos was zo rijp dat het sap langs haar vingers droop.
een ronde vrucht met een harde rode schil gevuld met sappige, robijnrode pitjes
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze strooide granaatappelpitjes over de salade voor een frisse smaak.
• Het sap van een granaatappel laat gemakkelijk vlekken achter op kleding.
een grote citrusvrucht met een gele of roze schil en een bitterzure smaak
zelfstandig naamwoord
例句:
• Hij dronk elke ochtend een glas versgeperste grapefruit.
• De grapefruit was te zuur voor haar smaak, dus voegde ze wat suiker toe.
een kleine, zoete citrusvrucht die makkelijk te pellen is en losse partjes heeft
zelfstandig naamwoord
例句:
• De kinderen aten na school een mandarijn als tussendoortje.
• Ze legde een schaal mandarijnen op tafel voor de gasten.
een ronde of ovale steenvrucht met een blauwe, rode of gele schil en een zoet, sappig vruchtvlees
zelfstandig naamwoord
例句:
• Hij plukte een rijpe pruim van de boom in de achtertuin.
• Ze maakte pruimenjam van de oogst van dit jaar.
een gedroogde druif die wordt gebruikt in gebak, muesli en andere gerechten
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze deed een handvol rozijnen door het havermout.
• De krentenbol zit vol rozijnen en krenten.
een aanduiding van de dag, maand en/of jaar waarop iets plaatsvindt of plaatsvond
zelfstandig naamwoord
例句:
• Wat is de datum van de vergadering?
• De datum van zijn geboorte is onbekend.