
/də/
lidwoord voor een bekend of bepaald ding of persoon, bij de-woorden en bij alle meervouden
lidwoord · Bij het-woorden in het enkelvoud gebruik je 'het'.
Examples
/tə/
meer dan goed of wenselijk is
bijwoord
Examples
woordje dat voor een werkwoord in de hele vorm staat, bijvoorbeeld na 'proberen' of 'om'
partikel
Examples
/nit/
woord waarmee je een zin ontkent
bijwoord
Examples
/vɑn/
geeft aan wie de eigenaar is of waar iets bij hoort
voorzetsel
Examples
geeft de plek aan waar een beweging begint
voorzetsel
Examples
/ɦɛt/, /ət/
lidwoord voor een bekend of bepaald ding bij een het-woord in enkelvoud
lidwoord · Bij de-woorden en in het meervoud gebruik je 'de'. Vaak uitgesproken als 't.
Examples
verwijst naar een ding dat al genoemd is, vooral een het-woord
voornaamwoord · Ook in vaste zinnen zonder echt onderwerp: het regent, het is laat.
Examples
/zɛin/
werkwoord waarmee je een eigenschap, beroep of plaats aan iemand of iets koppelt
werkwoord · was, is geweest · ben, bent, is, zijn; was, waren
Examples
hulpwerkwoord waarmee je de voltooide tijd maakt bij werkwoorden van beweging of verandering
hulpwerkwoord
Examples
woord waarmee je zegt dat iets bij een man, jongen of dier hoort
voornaamwoord
Examples
/ən/
lidwoord voor één willekeurig ding of persoon dat nog niet bekend is
lidwoord · Met klemtoon schrijf je 'één': dat is het getal 1.
Examples
/nɔx/
ook op dit moment, zonder dat het gestopt is
bijwoord
Examples
extra, erbij, bovenop wat er al is
bijwoord
Examples
/ɛn/
verbindt woorden of zinnen die bij elkaar horen
voegwoord
Examples
/ˈɦɛbə(n)/
iets bezitten of bij je dragen
werkwoord · had, heeft gehad · heb, hebt, heeft, hebben; had, hadden
Examples
hulpwerkwoord waarmee je de voltooide tijd maakt
hulpwerkwoord
Examples
/ɪn/
binnen de grenzen van een ruimte of ding
voorzetsel
Examples
geeft aan tijdens welke maand of periode iets gebeurt
voorzetsel
Examples
/meːr/
een grotere hoeveelheid of een groter aantal
telwoord
Examples
niet langer, in de combinatie met 'niet' of 'geen'
bijwoord
Examples
/zoː/
in hoge mate, heel erg
bijwoord
Examples
op deze manier, zoals je nu kunt zien
bijwoord
Examples
over korte tijd, straks
bijwoord
Examples
/ɑl/
eerder dan verwacht of dan gedacht
bijwoord
Examples
de hele hoeveelheid van iets, niets minder
telwoord
Examples
ondanks het feit dat; geeft een tegenstelling aan
voegwoord · Vaak 'ook al'. Na 'al' komt meteen het werkwoord: Al ben ik moe.
Examples
/ɔp/
boven iets en het rakend
voorzetsel
Examples
geeft een plek of gelegenheid aan waar iemand is, zoals een feest of een station
voorzetsel
Examples
/ɪk/
de persoon die spreekt of schrijft
voornaamwoord · mij, me, mijn
Examples
/ʋɛl/
woordje dat benadrukt dat iets juist waar is, nadat iemand het ontkend heeft
bijwoord
Examples
woordje waarmee je zegt dat je iets verwacht of aanneemt
bijwoord
Examples
/dɑt/
verbindt een zin met wat iemand zegt, denkt of weet
voegwoord
Examples
wijst iets aan wat verder weg is of wat net gezegd is
voornaamwoord
Examples
staat voor een het-woord om iets aan te wijzen wat verder weg is
lidwoord · Bij de-woorden en in het meervoud gebruik je 'die': die stoel, die huizen.
Examples
/ˈʋɔrdə(n)/
veranderen en iets anders zijn dan eerst
werkwoord · werd, is geworden · word, wordt, worden; werd, werden
Examples
hulpwerkwoord waarmee je een lijdende zin maakt
hulpwerkwoord
Examples
/ny/
op dit moment
bijwoord
Examples
omdat iets inmiddels het geval is
voegwoord · Het werkwoord staat achteraan in de bijzin.
Examples
/voːr/
bestemd om aan iemand te geven of door iemand te gebruiken
voorzetsel
Examples
aan de kant waar je iets ziet als je ernaar kijkt, niet erachter
voorzetsel
Examples
eerder dan een tijdstip of gebeurtenis
voorzetsel
Examples
/jə/
korte vorm zonder nadruk van 'jij': de persoon tegen wie men praat
voornaamwoord · Ook als voorwerp, in plaats van 'jou': ik zie je morgen.
Examples
korte vorm zonder nadruk van 'jouw': van de persoon tegen wie men praat
voornaamwoord
Examples
mensen in het algemeen, iedereen
voornaamwoord · Formeler zegt men 'men'.
Examples
/veːl/
een groot aantal of een grote hoeveelheid
telwoord
Examples
/jaːr/
een periode van twaalf maanden
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. jaren
Examples
/ɦu/
vraagwoord waarmee je naar de manier vraagt
bijwoord
Examples
/mɛt/
samen in het gezelschap van iemand
voorzetsel
Examples
geeft aan welk ding je gebruikt om iets te doen
voorzetsel
Examples
/ʋaːr/
vraagwoord waarmee je naar een plaats vraagt
bijwoord
Examples
zo als het echt is gebeurd, niet verzonnen
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/ɣut/
van hoge kwaliteit of fijn, zoals het hoort
bijvoeglijk naamwoord · beter, best
Examples
op een prettige of juiste manier, met weinig fouten
bijwoord · beter, best
Examples
/ɣaːn/
je van de ene plek naar de andere plek verplaatsen
werkwoord · ging, is gegaan · ga, gaat, gaan; ging, gingen
Examples
hulpwerkwoord voor iets wat je van plan bent of wat straks gebeurt
hulpwerkwoord
Examples
op een bepaalde manier verlopen
werkwoord · ging, is gegaan · ga, gaat, gaan; ging, gingen
Examples
/ɑls/
geeft een voorwaarde aan: alleen in dat geval
voegwoord
Examples
op het moment dat iets gebeurt
voegwoord · Voor één moment in het verleden gebruik je 'toen'.
Examples
in de rol of functie van
voorzetsel · Ook in vergelijkingen: Hij is even groot als zijn broer.
Examples
/dun/
een handeling uitvoeren
werkwoord · deed, heeft gedaan · doe, doet, doen; deed, deden
Examples
iets in iets anders leggen of stoppen
werkwoord · deed, heeft gedaan · doe, doet, doen; deed, deden
Examples
/ˈɑndər/
niet dezelfde, maar een tweede of een nieuwe
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/ɦir/
op deze plek, dichtbij degene die praat
bijwoord
Examples
/maːr/
geeft een tegenstelling aan met wat ervoor gezegd is
voegwoord
Examples
niet meer dan, slechts
bijwoord
Examples
/ˈmaːkə(n)/
iets nieuws laten ontstaan door er werk aan te doen
werkwoord · maakte, heeft gemaakt
Examples
iets wat kapot is weer heel of bruikbaar laten worden
werkwoord · maakte, heeft gemaakt
Examples
/aːn/
vast tegen iets, zoals een muur of een haak
voorzetsel
Examples
noemt de persoon die iets krijgt
voorzetsel
Examples
ingeschakeld, zodat het werkt
bijwoord
Examples
/tʋeː/
het getal 2
telwoord
Examples
/ɦɛi/
een man, jongen of mannelijk dier over wie men praat
voornaamwoord · hem, zijn
Examples
een ding waarvan het woord een de-woord is
voornaamwoord · hem, zijn
Examples
/ʋeːr/
nog een keer, opnieuw
bijwoord
Examples
hoe de lucht buiten is, met zon, regen, wind en temperatuur
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. —
Examples
/zə/
korte vorm zonder nadruk van 'zij': een vrouw of meisje over wie men praat
voornaamwoord
Examples
korte vorm zonder nadruk van 'zij': meerdere personen of dingen over wie men praat
voornaamwoord
Examples
meerdere personen of dingen als voorwerp
voornaamwoord · Ook als voorwerp voor één vrouw of meisje, in plaats van 'haar'.
Examples
/zin/
met je ogen waarnemen
werkwoord · zag, heeft gezien · zie, ziet, zien; zag, zagen
Examples
/ˈeːrstə/
voor alle andere in een rij of volgorde
telwoord
Examples
/doːr/
van de ene kant naar de andere kant, binnen in iets
voorzetsel
Examples
geeft aan wie of wat iets doet in een lijdende zin
voorzetsel
Examples
geeft de oorzaak van iets aan
voorzetsel
Examples
/ɛxt/
niet nagemaakt of nep
bijvoeglijk naamwoord
Examples
werkelijk, in hoge mate
bijwoord
Examples
/daːr/
op die plek, niet dichtbij degene die praat
bijwoord
Examples
/naːr/
in de richting van een plek, om daar aan te komen
voorzetsel
Examples
niet prettig, onaangenaam
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/œyt/
geeft het land of de plaats aan waar iemand of iets vandaan komt
voorzetsel
Examples
van binnen naar buiten
voorzetsel
Examples
niet meer ingeschakeld, zodat het niet werkt
bijwoord
Examples
/ɦeːl/
in hoge mate, erg
bijwoord
Examples
compleet, niet maar een deel
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/bɛi/
in het huis of op de plek van een persoon
voorzetsel
Examples
dicht in de buurt van iets
voorzetsel
Examples
tijdens iets of op het moment dat iets gebeurt
voorzetsel
Examples
/dɑx/
een periode van vierentwintig uur
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. dagen
Examples
een groet als je weggaat
tussenwerpsel · Je zegt het ook als groet bij het binnenkomen: Dag meneer!
Examples
/tɛit/
de hoeveelheid uren of minuten die iets duurt of die je hebt
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. tijden
Examples
een periode in de geschiedenis of in je leven
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. tijden
Examples
/ˈkoːmə(n)/
naar degene toe gaan die praat, of naar een plek waar je verwacht wordt
werkwoord · kwam, is gekomen · kom, komt, komen; kwam, kwamen
Examples
uit een plaats of land afkomstig zijn
werkwoord · kwam, is gekomen · kom, komt, komen; kwam, kwamen
Examples
/ˈleːvə(n)/
niet dood zijn
werkwoord · leefde, heeft geleefd
Examples
de tijd tussen je geboorte en je dood
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. levens
Examples
/ˈɑltɛit/
op elk moment, zonder uitzondering
bijwoord
Examples
/ʋə/
korte vorm zonder nadruk van 'wij': de spreker samen met anderen
voornaamwoord
Examples
/ˈlaːtə(n)/
toestaan dat iemand iets doet
werkwoord · liet, heeft laten · laat, laat, laten; liet, lieten
Examples
ervoor zorgen dat iemand anders iets voor je doet
werkwoord · liet, heeft laten · laat, laat, laten; liet, lieten
Examples
/ʋɑt/
vraagwoord waarmee je naar een ding of een zaak vraagt
voornaamwoord
Examples
iets, vooral in gewone spreektaal
voornaamwoord
Examples
betrekkelijk voornaamwoord na woorden als alles, iets, niets of het enige
voornaamwoord
Examples
/ʋaːˈrɔm/
vraagwoord waarmee je naar de reden vraagt
bijwoord
Examples
/ɣəˈʋoːn/
zoals gebruikelijk, niet bijzonder
bijvoeglijk naamwoord
Examples
zonder moeilijk te doen, alleen maar
bijwoord
Examples
/ɔf/
verbindt twee mogelijkheden waaruit je er één kiest
voegwoord
Examples
leidt een ja-neevraag in die in een andere zin staat
voegwoord · Het werkwoord staat achteraan in de bijzin.
Examples
/ˈoːvər/
met als onderwerp
voorzetsel
Examples
na een bepaalde tijd, gerekend vanaf nu
voorzetsel
Examples
/mɑn/
een volwassen mannelijk persoon
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. mannen
Examples
de partner van een getrouwde vrouw
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. mannen
Examples
/təˈrʏx/
naar de plek waar je eerder was
bijwoord
Examples
/laːt/
na het gebruikelijke of verwachte tijdstip
bijwoord · later, laatst
Examples
/yːr/
een tijd van zestig minuten
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. uren
Examples
het tijdstip op de klok
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. uren
Examples
/steːts/
telkens opnieuw, zonder op te houden
bijwoord
Examples
hoe langer hoe meer, bij een verandering die doorgaat
bijwoord
Examples
/ˈɛiɣə(n)/
van jezelf, niet van een ander
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/ʋɛx/
een brede strook voor auto's en fietsen om op te rijden
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. wegen
Examples
de route die je volgt om ergens te komen
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. wegen
Examples
niet meer op de plek waar het hoort of waar je het verwacht
bijwoord
Examples
/ˈbɪnə(n)/
in het gebouw of in de kamer, niet buiten
bijwoord
Examples
in een periode die niet langer duurt dan
voorzetsel
Examples
/noːit/
op geen enkel moment
bijwoord
Examples
/eːn/
het getal 1
telwoord
Examples
/dri/
het getal 3
telwoord
Examples
/ˈaːntɑl/
hoeveel personen of dingen er zijn
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. aantallen
Examples
/tɔt/
geeft het tijdstip aan waarop iets stopt
voorzetsel · Bij afscheid: Tot morgen! Tot ziens!
Examples
geeft de plek aan waar een beweging stopt
voorzetsel
Examples
/y/
beleefde vorm voor de persoon of personen tegen wie men praat
voornaamwoord · uw · Voor één of meer personen, ook als voorwerp. Werkwoord: u bent, u hebt of heeft. Bezit: uw.
Examples
/ˈɣeːvə(n)/
zorgen dat iemand anders iets krijgt, vaak in zijn handen
werkwoord · gaf, heeft gegeven · geef, geeft, geven; gaf, gaven
Examples
een feest, concert of voorstelling organiseren of houden
werkwoord · gaf, heeft gegeven · geef, geeft, geven; gaf, gaven
Examples
/ˈsaːmə(n)/
met elkaar, niet alleen
bijwoord
Examples
/ˈvɪndə(n)/
iets of iemand ontdekken, vooral nadat je ernaar gezocht hebt
werkwoord · vond, heeft gevonden · vind, vindt, vinden; vond, vonden
Examples
een mening over iets hebben
werkwoord · vond, heeft gevonden · vind, vindt, vinden; vond, vonden
Examples
/snɛl/
met veel snelheid, in korte tijd
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/deːl/
een stuk van een geheel
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. delen
Examples
/ɦaːr/
een vrouw of meisje als voorwerp
voornaamwoord
Examples
van een vrouw of meisje
voornaamwoord
Examples
de dunne draden die op je hoofd groeien
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. haren · Meestal zonder meervoud; 'haren' zijn losse haren.
Examples
/ɦœys/
een gebouw waarin mensen wonen
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. huizen
Examples
de plek waar je woont, vooral in 'naar huis' en 'van huis'
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. huizen
Examples
/ˈlaːtstə/
na alle andere, als einde van een rij
bijvoeglijk naamwoord
Examples
het nieuwste, het meest recent
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/ˈkʏnə(n)/
weten hoe je iets doet; iets geleerd hebben
werkwoord · kon, heeft gekund · kan, kunt, kan; kon, konden; gekund · modaal werkwoord: staat meestal met een ander werkwoord in de infinitief
Examples
de mogelijkheid of de toestemming hebben om iets te doen
werkwoord · kon, heeft gekund · kan, kunt, kan; kon, konden; gekund
Examples
/ˈnoːdəx/
wat je moet hebben, omdat het anders niet lukt
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/vrɑu/
een volwassen persoon van het vrouwelijke geslacht
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. vrouwen
Examples
de partner van een getrouwde man
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. vrouwen
Examples
/mə/
korte vorm zonder nadruk van 'mij': de spreker als voorwerp
voornaamwoord
Examples
de spreker zelf, bij een werkwoord met een wederkerend voornaamwoord
voornaamwoord
Examples
/ˈʋeːtə(n)/
informatie over iets hebben, zodat je er zeker van bent
werkwoord · wist, heeft geweten · weet, weet, weten; wist, wisten · Voor mensen en plaatsen gebruik je 'kennen'.
Examples
/ˈkrɛiɣə(n)/
iets van iemand ontvangen
werkwoord · kreeg, heeft gekregen · krijg, krijgt, krijgen; kreeg, kregen
Examples
een ziekte oplopen
werkwoord · kreeg, heeft gekregen · krijg, krijgt, krijgen; kreeg, kregen
Examples
/ɑləˈmaːl/
alle mensen van een groep samen, zonder uitzondering
bijwoord
Examples
/ˈbeːtər/
van hogere kwaliteit dan iets anders
bijvoeglijk naamwoord · Vergrotende trap van 'goed'.
Examples
weer gezond na een ziekte
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/ɛrx/
in hoge mate
bijwoord
Examples
slecht, naar of ernstig
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/naː/
later dan een tijdstip of gebeurtenis
voorzetsel
Examples
/ɔns/
de spreker en anderen als voorwerp
voornaamwoord
Examples
van de spreker en anderen
voornaamwoord · onze · 'Ons' bij een het-woord in het enkelvoud (ons huis), anders 'onze' (onze auto, onze huizen).
Examples
/staːn/
rechtop op je voeten zijn
werkwoord · stond, heeft gestaan · sta, staat, staan; stond, stonden
Examples
ergens zijn, van een ding dat op zijn plaats is neergezet
werkwoord · stond, heeft gestaan · sta, staat, staan; stond, stonden
Examples
/ˈzɛɣə(n)/
woorden uitspreken om iets aan iemand te vertellen
werkwoord · zei, heeft gezegd · zeg, zegt, zeggen; zei, zeiden
Examples
/lɑnt/
een gebied met eigen grenzen en een eigen regering
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. landen
Examples
vaste grond, het deel van de aarde dat niet water is
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. landen
Examples
/naːm/
het woord waarmee een persoon of een dier wordt genoemd
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. namen
Examples
/ˈzeːkər/
zonder twijfel, met grote zekerheid
bijwoord
Examples
zonder twijfel over iets, omdat je weet dat het waar is
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/mɪsˈxin/
het kan zijn; het is mogelijk
bijwoord
Examples