The 5000 most useful words
een getal of code waarmee iets geïdentificeerd of gerangschikt wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Wat is uw telefoonnummer?
• Ze woont op nummer 42.
een politieke organisatie of groep mensen met gemeenschappelijke doelen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze stemt elke keer op dezelfde partij.
• De partij heeft de verkiezingen gewonnen.
meervoud van 'week': perioden van elk zeven dagen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze is al drie weken ziek.
• Over twee weken beginnen de vakanties.
bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iemand op dit moment actief met een taak bezig is
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze is bezig met haar huiswerk.
• Hij is al de hele dag bezig.
de eerste maand van het jaar in de gregoriaanse kalender
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Op 1 januari is het Nieuwjaarsdag.
• In januari is het vaak koud en donker.
bijwoord dat de dag na vandaag aanduidt, of het begin van de dag
bijwoord
Examples:
• We gaan morgen op vakantie.
• Morgenochtend moet ze vroeg op.
bijvoeglijk naamwoord dat een geringe omvang of grootte aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze woont in een klein appartement.
• Het is een kleine fout, maar het maakt veel uit.
bijwoord dat een voorbeeld of illustratie van iets aanduidt
bijwoord
Examples:
• Er zijn veel mooie steden, bijvoorbeeld Amsterdam.
• Ze heeft veel hobby's, bijvoorbeeld schilderen en lezen.
tijdseenheid van ongeveer dertig of eenendertig dagen, een twaalfde deel van een jaar
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gaat volgende maand op vakantie.
• Een jaar heeft twaalf maanden.
de windrichting die tegenovergesteld is aan het zuiden; de richting van de noordpool
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze rijden naar het noorden van Nederland.
• Noord is de richting van de poolster.
gewapend conflict tussen staten of groepen, gekenmerkt door geweld en verwoesting
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De Tweede Wereldoorlog duurde van 1939 tot 1945.
• Ze vluchtten voor de oorlog in hun land.
werkwoord dat het spreken met iemand of het voeren van een gesprek aanduidt
werkwoord
Examples:
• Ze praat graag over haar hobby's.
• We moeten praten over wat er is gebeurd.
het stelsel van regels en wetten in een samenleving, of een aanspraak waarop iemand wettig aanspraak kan maken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze studeerde recht aan de universiteit.
• Iedereen heeft het recht op een eerlijk proces.
het punt waarop iets ophoudt of afloopt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het einde van de film was verrassend.
• We zijn bijna aan het einde van de rit.
een afzonderlijke ruimte in een gebouw, omgeven door muren
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft een mooie kamer op de bovenste verdieping.
• Er zijn vijf kamers in ons huis.
overtreffende trap van 'veel'; de grootste hoeveelheid van een groep
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De meeste mensen vinden dit leuk.
• Ze werkt het meeste van het team.
het bedrag dat betaald moet worden voor een product of dienst, of een onderscheiding
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Wat is de prijs van dit product?
• Ze heeft een prijs gewonnen voor haar onderzoek.
een gepland schema van activiteiten of een computerprogramma
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het programma van vanavond begint om acht uur.
• Ze installeert een nieuw programma op haar computer.
werkwoord dat een horizontale positie aanduidt of de locatie van iets
werkwoord
Examples:
• Ze ligt in bed met koorts.
• Het boek ligt op de tafel.
meervoud van 'meisje': jonge vrouwelijke personen of kinderen van het vrouwelijk geslacht
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De meisjes spelen buiten op het plein.
• Er zijn meer meisjes dan jongens in de klas.
bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat correctheid of precies het tegendeel aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Dat is het juiste antwoord.
• Juist vandaag kon ze er niet bij zijn.
een zijde, richting of aspect van iets
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ga aan de kant, je staat in de weg.
• Aan de ene kant is hij vriendelijk, aan de andere kant ook streng.
betrekkelijk bijwoord dat een oorzaak of middel aanduidt
bijwoord
Examples:
• Er was een storing, waardoor de trein vertraagd was.
• Ze werkte hard, waardoor ze slaagde.
een emotionele toestand of lichamelijke gewaarwording
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft een goed gevoel bij dit besluit.
• Het gevoel van vrijheid is geweldig.
de verzameling communicatiemiddelen waarmee informatie verspreid wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De media berichtten uitgebreid over de verkiezingen.
• Sociale media spelen een grote rol in het nieuws.
het richten van de geestelijke energie of interesse op iets
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mag ik even uw aandacht?
• Ze schenkt veel aandacht aan haar kinderen.
het geheel van gebeurtenissen in het verleden, of de studie daarvan
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze studeert geschiedenis aan de universiteit.
• De geschiedenis van Nederland is boeiend.
werkwoord dat het pogen of een poging doen aanduidt
werkwoord
Examples:
• Ze probeert elke dag een beetje beter te worden.
• Probeer het gewoon, je kunt altijd stoppen.
bijvoeglijk naamwoord dat lage kwaliteit, morele verwerpelijkheid of slechte gezondheid aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Het weer is vandaag slecht.
• Ze voelt zich slecht na het eten.
bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat aangeeft dat iets hoogstwaarschijnlijk zal plaatsvinden
bijwoord
Examples:
• Ze komt waarschijnlijk morgen.
• Het is waarschijnlijk dat hij gelijk heeft.
een organisatie die goederen of diensten produceert of verkoopt met winstoogmerk
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze werkt voor een groot bedrijf in Amsterdam.
• Hij heeft zijn eigen bedrijf opgericht.
de tweede maand van het jaar in de gregoriaanse kalender, met 28 of 29 dagen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Valentijnsdag is op 14 februari.
• Februari heeft 28 of 29 dagen.
een gevoel van vreugde en tevredenheid ervarend; ook: gelukkigerwijs
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze is gelukkig met haar nieuwe leven.
• Gelukkig was er niemand gewond.
het fysieke organisme van een mens of dier, inclusief alle organen en ledematen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Sport is goed voor het lichaam.
• Ze heeft pijn in haar lichaam.
het stelsel van kennisoverdracht en vorming aan scholen en andere instellingen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze werkt in het onderwijs als lerares.
• Goed onderwijs is belangrijk voor de toekomst van kinderen.
werkwoord dat het plaatsen, instellen of formuleren van iets aanduidt
werkwoord
Examples:
• Ze stelt een vraag aan haar leraar.
• Hij stelt voor om een vergadering te plannen.
een competitie waarbij deelnemers strijden om de winst
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze kijkt graag naar voetbalwedstrijden.
• Het team heeft de wedstrijd gewonnen.
het getal dat volgt op vijf en voorafgaat aan zeven
telwoord
Examples:
• Ze heeft zes neven en nichten.
• De vergadering duurt zes uur.
de vrouwelijke nakomeling van iemand
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft een dochter van tien jaar.
• Haar dochter studeert aan de universiteit.
bijwoordelijk pronomen dat 'van het/die' uitdrukt en verwijst naar eerder genoemde zaak
bijwoord
Examples:
• Ze weet er niets van.
• Ze is er blij mee; ze geniet ervan.
bijwoord dat aangeeft dat iets zonder vertraging of onmiddellijk plaatsvindt
bijwoord
Examples:
• Ze belde meteen terug.
• Doe het meteen, niet morgen.
een individueel menselijk wezen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij is een heel aardige persoon.
• Er is een verdachte persoon gezien in de buurt.
bijwoord dat aangeeft dat iets na een lange periode of reeks van gebeurtenissen plaatsvindt
bijwoord
Examples:
• Uiteindelijk hebben ze toch besloten te trouwen.
• Ze is uiteindelijk geslaagd voor haar examen.
de uiterlijke gedaante of structuur van iets, of een manier van uitvoering
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De taart heeft de vorm van een hart.
• Ze is in goede sportieve vorm.
een taaleenheid met een zelfstandige betekenis
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Welk woord gebruik je voor dit gevoel?
• Dat woord ken ik niet.
de achtste maand van het jaar in de gregoriaanse kalender
zelfstandig naamwoord
Examples:
• In augustus is het vaak erg warm.
• Ze gaan in augustus op vakantie.
het in verbinding staan of treden met iemand
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Neem contact op met de klantenservice.
• We hebben al lange tijd geen contact meer.
officieel uitgegeven of openbaar gemaakt, zoals een artikel, boek of bericht
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Het artikel is gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift.
• De nieuwe roman wordt volgende maand gepubliceerd.
iets in bezit nemen door er geld voor te betalen
werkwoord
Examples:
• Ze wil een nieuw huis kopen in de buurt.
• Hij koopt elke ochtend een krant bij de kiosk.
het aantal jaren dat iemand of iets bestaat
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Op welke leeftijd leerde jij fietsen?
• Ze ziet er jonger uit dan haar leeftijd.
een diep gevoel van genegenheid en verbondenheid met een persoon of iets
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hun liefde voor elkaar werd sterker met de jaren.
• Ze heeft een grote liefde voor muziek.
een lid van de regering dat verantwoordelijk is voor een bepaald beleidsterrein
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De minister van Financiën presenteerde het nieuwe budget.
• Ze werd benoemd tot minister van Onderwijs.
de tijd die nog moet komen, na het huidige moment
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze maakt zich zorgen over de toekomst van het klimaat.
• In de toekomst zullen elektrische auto's de norm zijn.
samengekomen of samengevoegd tot één geheel, vaak gebruikt in namen van landen of organisaties
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De Verenigde Staten hebben een grote invloed op de wereldpolitiek.
• De verenigde landen besloten gezamenlijk actie te ondernemen.
het deel van de dag na de middag en voor de nacht, ruwweg van 18 tot 24 uur
zelfstandig naamwoord
Examples:
• We gaan vanavond naar het theater.
• Op vrijdagavond eten we altijd samen.
geld overdragen als vergoeding voor een dienst, product of schuld
werkwoord
Examples:
• Kan ik met de creditcard betalen?
• Hij betaalt zijn huur altijd op tijd.
het beoogde resultaat of de intentie waarnaar men streeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Haar doel is om volgend jaar haar diploma te halen.
• Het doel van het project is de kosten te verlagen.
het spiervormige orgaan dat bloed door het lichaam pompt; ook gebruikt als symbool voor gevoelens en emoties
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Zijn hart klopt snel na het sporten.
• Ze deed het met heel haar hart.
een gestructureerde groep mensen die samenwerken met een gemeenschappelijk doel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De organisatie zet zich in voor de rechten van vluchtelingen.
• Hij werkt al twintig jaar voor dezelfde organisatie.
een bestuurlijk gebied dat deel uitmaakt van een land, in Nederland zijn er twaalf provincies
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Noord-Holland is de dichtstbevolkte provincie van Nederland.
• De provincie investeert in nieuwe fietsinfrastructuur.
het getal 10, één meer dan negen
telwoord
Examples:
• Er zijn tien leerlingen in de klas.
• De wedstrijd begint om tien uur 's ochtends.
het ondernemen van een stap of maatregel om iets te bereiken of te veranderen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De burgemeester beloofde actie te ondernemen tegen de overlast.
• De vakbonden organiseerden een actie voor betere lonen.
behorend bij of van toepassing op het moment van nu
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De huidige situatie vraagt om snelle beslissingen.
• Wie is de huidige minister van Binnenlandse Zaken?
betrekking hebbend op een heel land of natie
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Het nationale voetbalteam speelde een geweldige wedstrijd.
• Ze won de nationale prijs voor jonge ondernemers.
het gevoel van angst of vrees voor iets of iemand
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze is bang voor spinnen.
• Het kind was bang in het donker.
onmiddellijk, zonder omwegen of tussenkomst van iets of iemand anders
bijwoord
Examples:
• Ze belde hem direct na het nieuws.
• De trein rijdt direct naar Amsterdam, zonder tussenstops.
het wereldwijde netwerk van onderling verbonden computers
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik zoek het op via het internet.
• Zonder internet kan ik niet werken.
iemand die op een bepaalde dag jarig is of een bepaald aantal jaren oud is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De jarige werd overladen met cadeaus.
• Gefeliciteerd met de jarige!
aangenaam, prettig of aardig om te zien, te doen of mee te maken
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Dat is een leuke jurk die je aanhebt.
• We hebben een leuke avond gehad.
een uitgewerkt voornemen of schema voor toekomstige handelingen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Wat is jouw plan voor het weekend?
• Ze heeft een goed plan gemaakt voor het project.
het staatshoofd van een republiek
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De president hield een toespraak voor het volk.
• Ze werd gekozen als president van de organisatie.
het grondvlak of de fundamentele grondslag waarop iets wordt gebouwd of gebaseerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Vertrouwen is de basis van een goede relatie.
• Ze volgde een cursus op basis van haar eigen interesses.
het gewricht tussen het onderbeen en de voet
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij verstuikte zijn enkel tijdens het voetballen.
• Ze had een zwakke enkel na de blessure.
het vertrouwen in of de overtuiging van iets, vaak in religieuze of spirituele zin
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Haar geloof geeft haar kracht in moeilijke tijden.
• Hij heeft een sterk geloof in de goedheid van mensen.
op elk plaats, in alle richtingen of locaties
bijwoord
Examples:
• Ze zag overal bloemen bloeien in de lente.
• Hij heeft overal gezocht maar zijn sleutels niet gevonden.
het bestuur van een land of gemeenschap; de activiteiten rondom macht, beleid en besluitvorming
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij volgt de politiek op de voet.
• De politiek heeft grote invloed op het dagelijks leven van burgers.
een tijdelijk, doelgericht geheel van werkzaamheden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het bouwproject duurt twee jaar.
• Ze werkt aan een nieuw project voor school.
meervoud van staat; zelfstandige politieke eenheden of gebieden met een eigen bestuur
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De Verenigde Staten bestaan uit vijftig staten.
• De staten in het federale systeem hebben eigen wetten.
iemand iets meedelen of uitleggen, mondeling of schriftelijk
werkwoord
Examples:
• Vertel me wat er is gebeurd.
• Ze vertelde een grappig verhaal aan haar vrienden.
een taaleenheid die een complete gedachte uitdrukt; ook: betekenis of verlangen naar iets
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Schrijf een zin met het woord 'geluk'.
• Ik heb geen zin om vanavond te koken.
aanwezig zijn, leven of werkelijkheid hebben
werkwoord
Examples:
• Geloof jij dat buitenaards leven bestaat?
• Dit bedrijf bestaat al meer dan honderd jaar.
bijwoord dat 'daarvoor' of 'ervoor in de plaats' betekent, of om iets aan te duiden dat voor iets anders is
bijwoord
Examples:
• Ze heeft hard gewerkt ervoor.
• Zorg ervoor dat je op tijd bent.
behorend bij of afkomstig uit Europa
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De Europese Unie telt zevenentwintig lidstaten.
• Ze studeerde aan een Europese universiteit.
meer dan het gewone of verwachte, bovenop wat al aanwezig is
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze heeft extra tijd nodig om de taak af te ronden.
• Wil je extra saus bij je friet?
het oppervlak van de aarde of de vaste ondergrond waarop mensen lopen en bouwen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De appel viel van de boom op de grond.
• Ze kochten een stuk grond om een huis op te bouwen.
met een geringe lengte of duur
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze heeft kort haar.
• De vergadering was gelukkig kort.
de richting of koers van iets of iemand bepalen; aansturen
werkwoord
Examples:
• Hij leidt het team al vijf jaar.
• Welke weg leidt naar het centrum?
een van de vier jaarlijkse perioden (lente, zomer, herfst, winter); ook een reeks van sportwedstrijden of afleveringen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het voetbalseizoen begint in augustus.
• De lente is mijn favoriete seizoen.
door de zwaartekracht naar beneden bewegen
werkwoord
Examples:
• Het kind viel van de fiets.
• De bladeren vallen in de herfst.
geldend voor of betrekking hebbend op iedereen of alles; niet specifiek
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• In het algemeen ben ik het met je eens.
• Dit is een algemeen bekende waarheid.
een reactie op een vraag of mededeling
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Wat is het antwoord op deze vraag?
• Ze gaf geen antwoord op zijn brief.
een mededeling of informatie die aan iemand wordt doorgegeven
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze stuurde hem een bericht via WhatsApp.
• Ik heb een bericht ontvangen van de bank.
met dat; door middel van dat
bijwoord
Examples:
• Daarmee bedoel ik niets persoonlijks.
• Hij tekende het document en daarmee was de zaak gesloten.
het leven van een levend wezen beëindigen
werkwoord
Examples:
• De bom doodde twintig mensen.
• Pesticiden kunnen ook nuttige insecten doden.
buitengewoon goed of indrukwekkend
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Wat een geweldig concert!
• Ze heeft geweldig werk geleverd.
de internationale eenheid van lengte, gelijk aan 100 centimeter
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kamer is vijf meter lang.
• Hij woont op tweehonderd meter van het station.
het gebied of de mensen rondom iemand of iets
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze geniet van de natuur in haar omgeving.
• De omgeving van Amsterdam is erg mooi.
een deel dat tot een groter geheel behoort
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Dit onderdeel is beschadigd en moet vervangen worden.
• Sport is een onderdeel van een gezonde levensstijl.
het behalen van een gewenst resultaat; een gunstige afloop
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik wens je veel succes met je examen.
• Het project was een groot succes.
de avond van de huidige dag
bijwoord
Examples:
• Wat doe jij vanavond?
• Vanavond is er een interessant programma op televisie.