The 1000 most useful Dutch content words for inter
een groentegewas met knapperige stengels en uitgesproken smaak dat in soepen en salades wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze sneed een stengel selderij fijn voor de groentesoep.
• Knolselderij is een populaire wintergroente in Nederland.
het doel of de intentie achter een handeling
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Wat is de bedoeling hiervan?
• De bedoeling was goed, maar de uitvoering niet.
klaar om iets te doen; bereidwillig
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Zijn ze bereid te onderhandelen?
• Ze is bereid om te helpen.
een vaartuig voor het vervoer over water
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gingen met de boot naar het eiland.
• De boot vertrok stipt op tijd.
ritmisch bewegen op muziek
werkwoord
Examples:
• Ze danst graag op feestjes.
• Hij dansen elke week in de dansschool.
derde persoon enkelvoud van 'draaien': ronddraaien; ook: iets ten uitvoer brengen
werkwoord
Examples:
• De ventilator draait al uren.
• Het draait allemaal om geld.
zonder veel moeite; eenvoudig
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Dit is een gemakkelijke taak.
• Ze vindt het gemakkelijk om nieuwe talen te leren.
het rekenkundige midden van een reeks getallen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het gemiddelde cijfer was een zeven.
• Ze verdient boven het gemiddelde.
voltooid deelwoord van 'zoeken': waarnaar gezocht is; ook: gewild
werkwoord
Examples:
• De politie zoekt de gezochte persoon.
• Ze is erg gezocht als spreker.
betrekking hebbend op Italië of de Italiaanse taal
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze is gek op Italiaanse keuken.
• De Italiaanse taal klinkt melodieus.
de winnaar van een competitie of toernooi
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij werd kampioen van Nederland.
• Het team is drie keer kampioen geworden.
de vrouwelijke monarch van een koninkrijk
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De koningin opende de nieuwe brug.
• Ze is de koningin van het toneel.
de stof of het spul waaruit iets gemaakt is; ook: hulpmiddelen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Welk materiaal gebruik je voor dit project?
• Ze bestelde bouwmaterialen.
betrekking hebbend op een mobiel apparaat of draagbaar toestel
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze heeft een nieuw mobiel toestel gekocht.
• De mobiele telefoon is niet meer weg te denken.
een vettige vloeistof van plantaardige, dierlijke of minerale oorsprong
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bakt de aardappelen in olie.
• De prijs van olie is gestegen.
doen groeien of vormen; creëren
werkwoord
Examples:
• Ze wil haar talenten verder ontwikkelen.
• Het bedrijf ontwikkelt nieuwe software.
verbuiging van 'ouder': van hogere leeftijd
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Oudere mensen hebben meer ervaring.
• Ze zorgt voor haar oudere ouders.
meervoud van politicus: mensen die actief zijn in de politiek
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De politici debatteerden de hele avond.
• Veel politici maken campagne voor de verkiezingen.
gunstig; optimistisch; bevestigend
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze heeft een positief resultaat behaald.
• Blijf positief, ook als het moeilijk gaat.
verleden tijd enkelvoud van 'raken': in aanraking kwam
werkwoord
Examples:
• Ze raakte gewond bij het ongeluk.
• Hij raakte haar arm aan.
een horecagelegenheid waar maaltijden worden geserveerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gingen vanavond uit eten in een restaurant.
• Het restaurant staat bekend om zijn visgerechten.
vrij van vuil; ook: rein in morele zin
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De kamer is schoon na het opruimen.
• Ze houdt van schone energie.
eenvoudig van aard; zonder ingewikkeldheden
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De oplossing is simpel.
• Ze geeft de voorkeur aan simpele kleding.
verleden tijd enkelvoud van 'sterven': het leven verloor
werkwoord
Examples:
• De koning stierf op hoge leeftijd.
• Ze stierf aan een zeldzame ziekte.
op zijn minst; althans
bijwoord
Examples:
• Er waren tenminste tien mensen aanwezig.
• Tenminste, dat dacht ik.
onzekerheid of gebrek aan overtuiging
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft twijfel over haar beslissing.
• Zonder twijfel is hij de beste speler.
verbuiging van 'uniek': er maar één van zijn; bijzonder
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Dit is een unieke kans.
• Ze heeft een unieke stijl.
het overdragen van goederen of diensten in ruil voor geld
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De verkoop van het huis verliep vlot.
• Ze werkt in de verkoop bij een kledingwinkel.
een formeel of informeel verzoek om iets
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze diende een verzoek in bij de gemeente.
• Op verzoek van de gasten werd de muziek zachter gezet.
verleden tijd enkelvoud van 'voelen'
werkwoord
Examples:
• Ze voelde zich moe na een lange dag.
• Hij voelde de pijn meteen.
voor het grootste gedeelte; hoofdzakelijk
bijwoord
Examples:
• Het boek gaat voornamelijk over de Tweede Wereldoorlog.
• Ze werkt voornamelijk 's ochtends.
het koudste seizoen van het jaar
zelfstandig naamwoord
Examples:
• In de winter sneeuwt het soms in Nederland.
• Ze houdt niet van de koude winter.
de aanduiding van de ligging van een woning of gebouw
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Wat is jouw adres?
• Ze stuurde een brief naar zijn adres.
met behulp van: met de hulp van; door middel van
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Met behulp van een woordenboek vertaalde ze de tekst.
• Ze loste het probleem op met behulp van een computer.
een grote natuurlijke verhoging in het landschap
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze beklommen de berg in twee dagen.
• Er lag sneeuw op de top van de berg.
derde persoon enkelvoud van 'bevinden': zich ergens ophouden
werkwoord
Examples:
• Waar bevindt het station zich?
• De auto bevindt zich in de garage.
een alcoholische drank gemaakt van graan, hop en water
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Nederland is bekend om zijn bier.
• Hij bestelde een biertje in het café.
volledig; zonder iets dat mist
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De set is compleet.
• Het was een complete verrassing.
een elektronisch apparaat voor het verwerken van informatie
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze werkt de hele dag achter een computer.
• Hij heeft een nieuwe computer gekocht.
op dat; daarna; in reactie daarop
bijwoord
Examples:
• Daarop zei ze niets meer.
• Ze klikte op de knop en daarop verscheen de pagina.
een gestructureerde discussie over een onderwerp
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het politieke debat was verhit.
• Ze wonnen het debat dankzij goede argumenten.
het resultaat of de invloed van een oorzaak
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het nieuwe beleid heeft al effect.
• Ze onderzochten het effect van het medicijn.
een georganiseerde activiteit of bijeenkomst
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er is een groot evenement in het centrum.
• Ze organiseert evenementen voor bedrijven.
een deel of portie van een geheel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Een groot gedeelte van de bevolking stemt niet.
• Ze at slechts een gedeelte van haar maaltijd.
meervoud van gevoel: de emotionele gewaarwordingen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze praat makkelijk over haar gevoelens.
• Zijn gevoelens zijn moeilijk te begrijpen.
betrekking hebbend op de natuur; vanzelfsprekend
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze heeft een natuurlijke schoonheid.
• Dit is een natuurlijk proces.
de moeder van een van de ouders; grootmoeder
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gaat elk weekend bij haar oma op bezoek.
• Oma bakt de lekkerste appeltaart.
in heel sterke mate; enorm
bijwoord
Examples:
• Ze is ontzettend moe na de lange dag.
• Hij is ontzettend aardig.
vreemd; niet normaal; gek
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Dat is een raar geluid.
• Ze voelt zich raar vandaag.
prikken; met een scherp voorwerp doorboren
werkwoord
Examples:
• Een bij kan steken.
• Ze stak de sleutel in het slot.
betrekking hebbend op tradities; overgeleverd vanuit het verleden
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze vieren een traditioneel kerstfeest.
• De traditionele kleding van dit land is kleurrijk.
een verbond of koppeling tussen twee of meer dingen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De treinverbinding tussen Amsterdam en Rotterdam is frequent.
• Ze heeft een sterke verbinding met haar roots.
samengevoegd tot één geheel
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Het Verenigd Koninkrijk bestaat uit vier landen.
• Ze zijn verenigd in hun strijd.
voltooid deelwoord van 'verschijnen': zichtbaar geworden; gepubliceerd
werkwoord
Examples:
• Er zijn nieuwe boeken verschenen.
• Ze zijn onverwacht verschenen op het feest.
weghalen; verplaatsen of wissen
werkwoord
Examples:
• Kun je die opmerking verwijderen?
• Ze verwijderden de oude bomen.
voltooid deelwoord van 'afsluiten': gesloten; beëindigd
werkwoord
Examples:
• De straat was afgesloten voor het verkeer.
• Het contract is afgesloten.
iemand die een boek of ander werk heeft geschreven
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze is een bekende auteur van romans.
• De auteur signeert zijn boeken na de lezing.
een kledingstuk voor het onderlichaam met twee pijpen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij draagt een spijkerbroek.
• Ze kocht een nieuwe broek in de uitverkoop.
behoorlijk groot of sterk; ook: dapper
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze heeft flink gesnoeid in de kosten.
• Wees flink — het prikje doet even pijn.
een groep mensen die samen leven of gemeenschappelijke belangen hebben
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze is actief in de lokale gemeenschap.
• De gemeenschap steunde de gedupeerden.
verbuiging van 'hoger': van hoger niveau
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze volgt een hogere opleiding.
• De hogere klassen hebben meer privileges.
zonder inhoud; niet gevuld
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Het glas is leeg.
• De straten waren leeg in de vroege ochtend.
in andere opzichten; bovendien; trouwens
bijwoord
Examples:
• Hij is overigens een heel aardige man.
• Overigens had je gisteren gelijk.
de maatschappelijke positie of toestand van iemand of iets
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft een hoge status in het bedrijf.
• Wat is de status van jouw aanvraag?
een bijeenkomst voor overleg of besluitvorming
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De vergadering duurde drie uur.
• Ze ging naar de aandeelhoudersvergadering.
een geschreven of mondeling verslag van een gebeurtenis
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze schreef een verslag van de vergadering.
• Het verslag van de journalist verscheen in de krant.
voltooid deelwoord van 'vertellen': meegedeeld via verhaal
werkwoord
Examples:
• Ze heeft hem alles verteld.
• Het verhaal werd verteld door een bekende acteur.
de directe oorzaak of aanstoot tot iets
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Wat was de aanleiding voor het conflict?
• De aanleiding voor het ontslag was onduidelijk.
de inhoud of zin die iets heeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Wat is de betekenis van dit woord?
• Het heeft een speciale betekenis voor haar.
een geheel; ook: een meeteenheid of militaire eenheid
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De meter is een eenheid van lengte.
• Ze streven naar eenheid binnen de partij.
het uitdrukken van spijt voor iets; verontschuldigingen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bood haar excuses aan voor de vertraging.
• Excuses voor het ongemak.
voltooid deelwoord van 'missen': niet gehaald of node gemist
werkwoord
Examples:
• Ze heeft de trein gemist.
• Ik heb je gemist terwijl je weg was.
het raam of de omlijsting; ook: een bestuurlijk kader of kaderleden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Dit valt buiten het kader van ons gesprek.
• De kaders van de organisatie werden bijeengeroepen.
de ruimte in een huis of restaurant waar voedsel bereid wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze is gek op koken in de keuken.
• De keuken is net gerenoveerd.
iemand die goederen of diensten koopt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De klant heeft altijd gelijk.
• Ze helpt klanten in de winkel.
een groep leerlingen die samen les krijgen; ook: het lokaal
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze zit in de derde klas van de middelbare school.
• Er zijn dertig kinderen in de klas.
iemand die bij een organisatie werkt; een werknemer
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze is een trouwe medewerker van het bedrijf.
• De medewerkers ontvingen een bonus.
een beleefdheidsaanduiding voor een volwassen vrouw
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Mevrouw Jansen, kunt u even wachten?
• Goedemorgen, mevrouw!
een chirurgische ingreep; ook: een militaire of politiële actie
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze ondergaat morgen een operatie aan haar knie.
• De politieoperatie verliep vlekkeloos.
een groot zoogdier dat als rijdier of trekdier gebruikt wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze rijdt al twintig jaar op een paard.
• Het paard graasde rustig in de wei.
een hoogleraar aan een universiteit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze is professor aan de universiteit van Leiden.
• De professor gaf een inspirerende lezing.
de weg die gevolgd wordt van A naar B
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Welke route neem jij naar het werk?
• De route door de bergen is gevaarlijk in de winter.
het verlenen van diensten aan klanten; ook: een tennisterm
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De service van dit hotel is uitstekend.
• Ze heeft een goede service als tennisspeelster.
betrekking hebbend op techniek of technologie
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Er was een technisch probleem.
• Ze volgt een technische opleiding.
blij met de situatie; voldaan
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze is tevreden met het resultaat.
• Een tevreden klant komt terug.
vanzelfsprekend; zoals te verwachten was
bijwoord
Examples:
• Uiteraard ben ik het daarmee eens.
• Ze verwachtten uiteraard een verklaring.
het proces van anders worden; een wijziging
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze staan open voor verandering.
• De verandering in het klimaat is zorgwekkend.
een koudbloedig waterlevend werveldie; ook: als voedsel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze eten elke vrijdag vis.
• De kinderen voerden brood aan de vissen.
een gemotoriseerd luchtvaartuig voor personenvervoer
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze vloog met een vliegtuig naar New York.
• Het vliegtuig landde op tijd.
een dode persoon of dier in de grond begraven
werkwoord
Examples:
• Hij werd begraven op de plaatselijke begraafplaats.
• Ze gingen de kat begraven in de tuin.
vaststellen; beslissen over iets
werkwoord
Examples:
• De jury bepaalt de winnaar.
• Ze wil zelf bepalen hoe haar leven eruitziet.
aantonen dat iets waar is
werkwoord
Examples:
• Ze moest haar onschuld bewijzen.
• Hij bewees zijn moed in de crisis.
het grootste land van Zuid-Amerika
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Brazilië staat bekend om zijn carnaval.
• Ze studeert Portugees vanwege haar interesse in Brazilië.
een openbaar muzikaal optreden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gaan vanavond naar een concert.
• Het concert was uitverkocht.
in dat; daarbinnen
bijwoord
Examples:
• Daarin vergis je je.
• Het doosje en alles daarin is van haar.
verbuiging van 'direct': rechtstreeks; zonder tussenpersoon
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Dit heeft een directe impact op zijn gezondheid.
• Ze sprak op directe wijze.
zonder ingewikkeldheid; simpel
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De oplossing is eenvoudig.
• Ze leidt een eenvoudig leven.
over dat onderwerp; daarover
bijwoord
Examples:
• Praat jij maar erover.
• We moeten erover nadenken.
verbuiging van 'geheel': het volledige; alles
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze reisde de gehele wereld over.
• De gehele dag was ze bezig.
alle mensen die in dezelfde tijd geboren zijn
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De nieuwe generatie groeit op met internet.
• Dit is kennis die van generatie op generatie wordt doorgegeven.