Seizoenen en maanden
The four seasons, January to December and the cale
22 wordsDutch (Netherlands)

/aˈprɪl/
de vierde maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. aprillen
Examples
/ɔuˈɣʏstəs/
de achtste maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. augustussen
Examples
/deːˈsɛmbər/
de twaalfde maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. decembers
Examples
/feːbryˈʋaːri/
de tweede maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. februari's
Examples
/jaːr/
een periode van twaalf maanden
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. jaren
Examples
/janyˈaːri/
de eerste maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. januari's
Examples
/ˈjaːrəx/
op de dag van het jaar waarop je geboren bent
bijvoeglijk naamwoord · Alleen in "jarig zijn".
Examples
/maːnt/
een van de twaalf delen van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. maanden
Examples
/maːrt/
de derde maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. maarten
Examples
/noˈvɛmbər/
de elfde maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. novembers
Examples
/ɔkˈtoːbər/
de tiende maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. oktobers
Examples
/sɛiˈzun/
een van de vier delen van het jaar: lente, zomer, herfst en winter
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. seizoenen
Examples
de maanden van het jaar waarin een sport wordt gespeeld
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. seizoenen
Examples
/sɛpˈtɛmbər/
de negende maand van het jaar, na augustus en voor oktober
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. septembers
Examples
/ˈtukɔmst/
de tijd die nog moet komen
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. —
Examples
/vərˈleːdə(n)/
de tijd die voorbij is
zelfstandig naamwoord · het-woord · mv. —
Examples
de laatste of vorige
bijvoeglijk naamwoord · Meestal vóór een tijdsaanduiding: verleden week, verleden jaar.
Examples
/ˈzoːmər/
het warmste jaargetijde, tussen de lente en de herfst
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. zomers
Examples
/mɛi/
de vijfde maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. meien
Examples
/ˈjyni/
de zesde maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. juni's · Om verwarring met juli te voorkomen zegt men soms 'juno'.
Examples
/ˈjyli/
de zevende maand van het jaar
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. juli's · Om verwarring met juni te voorkomen zegt men soms 'julij' (uitspraak jyˈlɛi).
Examples
/ˈlɛntə/
het jaargetijde tussen de winter en de zomer
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. lentes · Men zegt ook 'het voorjaar'.
Examples
/ɦɛrfst/
het jaargetijde tussen de zomer en de winter, als de bladeren vallen
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. herfsten
Examples
/ˈʋɪntər/
het koudste jaargetijde, tussen de herfst en de lente
zelfstandig naamwoord · de-woord · mv. winters
Examples