een stuk grond bij een huis of gebouw waar planten, bloemen of groenten worden gekweekt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij werkt elke zaterdag in de tuin.
• De tuin staat vol met rode rozen en lavendel.
het oppervlak van de aarde of de vaste ondergrond waarop mensen lopen en bouwen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De appel viel van de boom op de grond.
• Ze kochten een stuk grond om een huis op te bouwen.
het kleine deel van een plant waaruit een nieuwe plant kan groeien
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze plantte het zaad in de tuin.
• Het zaad ontkiemt na een paar dagen in vochtige grond.
een levend organisme dat groeit in de aarde en fotosynthese uitvoert
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze zet elke plant bij het raam voor het licht.
• De plant heeft te weinig water gekregen.
in omvang of hoogte toenemen
werkwoord
Examples:
• De planten groeien snel in de zomer.
• Het bedrijf groeide in drie jaar verdriedubbeld.
het inzamelen van rijpe gewassen of de opbrengst daarvan
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De boer was tevreden over de rijke oogst dit jaar.
• Na de oogst werden de velden kaal en leeg.
een kleurloze, reukloze vloeistof die essentieel is voor alle levende organismen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Drink genoeg water per dag.
• Het water in de rivier is koud.
een wilde plant die ongewenst groeit in de tuin of op het land
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze besteedde een middag aan het wieden van onkruid tussen de rozen.
• Onkruid groeit snel als je de tuin een paar weken verwaarloost.
een omheining van metaal of hout die een erf of tuin afbakent
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het hek om de tuin was nieuw.
• Ze klom over het hek.
een rood, sappig vruchtgroente dat veel gebruikt wordt in de keuken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze sneed de tomaat in plakjes voor de salade.
• De soep is gemaakt van verse tomaten uit de tuin.
een langwerpige, groene vruchtgroente met een waterrijk vruchtvlees die veel in salades wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze sneed de komkommer in dunne plakjes voor de salade.
• Een komkommer bestaat voor meer dan negentig procent uit water.
een grote, holle vruchtgroente in rood, geel of groen die rauw of gebakken gegeten wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze sneed een rode peper in reepjes voor de wokschotel.
• De gevulde paprika's stonden al in de oven.
een aromatische plant waarvan de bladeren of stengels worden gebruikt in de keuken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Basilicum is een populair kruid in de Italiaanse keuken.
• Ze kweekt verschillende kruiden in potten op het balkon.
een rood, hartvormig zomerfruit met kleine gele zaadjes op de buitenkant en een zoete smaak
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kinderen aten aardbeien met slagroom als toetje.
• In juni zijn de aardbeien het zoetst en goedkoopst.
een bladgewas dat vaak rauw gegeten wordt in salades
zelfstandig naamwoord
Examples:
• We hebben verse sla gekocht voor de salade.
• Sla groeit het beste in koelere klimaten.
een oranje wortelgroente met een zoete smaak die rauw of gekookt gegeten wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kinderen knabbelden op rauwe wortels als tussendoortje.
• Ze raspte een wortel door de salade voor extra kleur.
een grote, ronde oranje vrucht die in de herfst wordt geoogst
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze maakte een heerlijke pompoensoep voor het avondeten.
• Met Halloween snijden kinderen gezichten in een pompoen.
een grote gele bloem met een donker middelpunt die haar hoofd naar de zon draait
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De zonnebloemen in de tuin stonden al meer dan een meter hoog.
• Van zonnebloemzaad wordt ook zonnebloemolie gemaakt.
vergaan organisch materiaal dat als voedingsrijke meststof voor de tuin wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij gooit groente- en fruitresten op de composthoop.
• Compost verbetert de bodemstructuur en geeft planten extra voedingsstoffen.