Polidict Logo
افتح التطبيقتسجيل الدخول

ابقَ على تواصل

احصل على تحديثات المنتج وأخبار الميزات الجديدة.

أدخل بريدك الإلكتروني
اشترك

تواصل معنا

أبلغ عن مشاكل أو قدّم طلبًا عبر البريد الإلكتروني support@polidict.com

الصفحات

الرئيسيةمن نحنالمدونةالأسعارخارطة الطريق

المجموعات

كلمات إنجليزيةكلمات إسبانيةكلمات أوكرانيةكلمات بولنديةكلمات فرنسيةكلمات ألمانيةكلمات إيطاليةكلمات كوريةكلمات يابانيةكلمات سويديةكلمات عربيةكلمات هولنديةكلمات صينية

تابعنا

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

لغة الموقع & المظهر

ar
النظام

صنع بواسطة Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
سياسة الخصوصيةشروط الخدمة
  1. المجموعات المنتقاة
  2. يومي
  3. في المدينة

في المدينة

أماكن وأشياء تراها في المدينة

أساسي
يومي
bank
/bɑŋk/

een financiële instelling die geld beheert; ook: een zitmeubel

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze haalt geld op bij de bank.

• Ze zaten op de bank voor de televisie.

ziekenhuis
/ˈzikɛnhœys/

een gebouw of instelling voor medische behandeling van patiënten

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze werd met spoed naar het ziekenhuis gebracht.

• Hij werkt als chirurg in een ziekenhuis.

bibliotheek
/ˈbɪblioːteːk/

Een plaats waar boeken, tijdschriften en andere materialen voor lezen en studeren beschikbaar zijn.

noun

أمثلة:

• Ze brengt elke zaterdag een bezoek aan de bibliotheek.

• De universiteitsbibliotheek heeft een uitgebreide collectie wetenschappelijke publicaties.

park
/pɑrk/

een openbaar groen terrein voor recreatie; ook een bedrijventerrein of parkeerplaats

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• We gingen picknicken in het park.

• Het park is overdag open.

museum
/ˈmyːsøːm/

een instelling die voorwerpen van culturele of historische waarde bewaart en tentoonstelt

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Het Rijksmuseum heeft een enorme collectie schilderijen.

• Ze gaan zaterdag naar een museum.

politie
/ˈpoːliti/

de overheidsinstantie belast met het handhaven van de openbare orde en het opsporen van misdrijven

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze heeft de politie gebeld na de inbraak.

• De politie is bezig met het onderzoek.

brandweerman
/ˈbrɑntveːrmɑn/

iemand die werkt bij de brandweer en branden bestrijdt en mensen redt

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• De brandweerman klom de ladder op om de bewoners te redden.

• Als kind wilde hij altijd al brandweerman worden.

apotheek
/ˌaːpoːˈteːk/

een winkel waar geneesmiddelen op recept en vrij verkrijgbare medicijnen worden verkocht

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze haalde het voorgeschreven medicijn op bij de apotheek.

• De apotheek op de hoek is ook op zaterdagochtend open.

postkantoor
/ˈpɔstkɑntoːr/

een gebouw waar je brieven en pakketten kunt versturen, ontvangen en postzegels kunt kopen

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze stuurde het pakket op via het postkantoor in de buurt.

• Op het postkantoor kun je ook bepaalde overheidsdocumenten aanvragen.

kerk
/kɛrk/

een gebouw voor christelijke eredienst; ook de christelijke geloofsgemeenschap

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze gaan elke zondag naar de kerk.

• De oude kerk staat midden in het dorp.

brug
/brʏx/

een constructie die een oversteek mogelijk maakt over water, een weg of een kloof

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze fietste over de brug naar het centrum.

• De brug over de rivier is gesloten voor onderhoud.

parkeren
/pɑrˈkeːrən/

een voertuig stilzetten en achterlaten op een bepaalde plek

werkwoord

أمثلة:

• Het is lastig parkeren in het stadscentrum op zaterdagmiddag.

• Hij parkeerde de auto voor het supermarkt en liep naar binnen.

stoep
/stup/

een verhoogd pad langs de rijbaan bedoeld voor voetgangers

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Fietsen op de stoep is niet toegestaan en gevaarlijk voor voetgangers.

• De kinderen speelden krijgertje op de stoep voor hun huis.

zebrapad
/ˈzeːbraˌpɑt/

een gedeelte van de rijbaan met witte strepen waarover voetgangers de weg kunnen oversteken

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Kinderen leren op school dat je altijd het zebrapad moet gebruiken bij het oversteken.

• De automobilist moest afremmen omdat een voetganger het zebrapad opliep.

verkeerslicht
/fərˈkeːrslɪxt/

een lichtsignaal op een kruispunt dat het verkeer regelt met de kleuren rood, oranje en groen

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Bij het rode verkeerslicht moest hij wachten totdat het groen werd.

• Er was een storing in het verkeerslicht waardoor het verkeer vastliep.

bushalte
/ˈbʏshɑltə/

een aangewezen plek langs de weg waar bussen stoppen om passagiers in en uit te laten stappen

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze wachtte bij de bushalte op de lijn 12 naar het centrum.

• Bij de bushalte hangt een rooster met de vertrektijden.

tankstation
/ˈtɑŋkstɑtsjɔn/

een plek langs de weg waar je brandstof kunt tanken en soms ook snacks en dranken kunt kopen

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Hij stopte bij het tankstation om brandstof te tanken voor de lange rit.

• Het tankstation aan de snelweg is dag en nacht open.

geldautomaat
/ˈɣɛltɔːtoːmaːt/

een machine waarbij je met een bankpas contant geld kunt opnemen

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Ze haalde twintig euro op bij de geldautomaat voor het parkeergeld.

• De geldautomaat bij de supermarkt was buiten werking.

fontein
/fɔnˈtɛin/

een decoratieve waterconstructie in een tuin of op een plein waaruit water omhoog spuit

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Op het marktplein staat een grote stenen fontein.

• Kinderen gooien muntjes in de fontein en doen een wens.

standbeeld
/ˈstɑntbeːlt/

een driedimensionaal kunstwerk van een persoon of figuur, vaak te vinden op een plein of in een museum

zelfstandig naamwoord

أمثلة:

• Op het plein staat een standbeeld van de grondlegger van de stad.

• Het bronzen standbeeld werd onthuld ter herdenking van de gevallen soldaten.