een toestel waarmee men op afstand kan communiceren via spraak
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Mijn telefoon heeft geen bereik hier.
• Ze belde hem op via de telefoon.
een draagbare computer
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze werkt thuis op haar laptop.
• Zijn laptop heeft een nieuwe batterij nodig.
een apparaat voor het vastleggen van foto's of video
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze fotografeert met een professionele camera.
• Er hangt een beveiligingscamera bij de ingang.
het vlak van een elektronisch apparaat waarop beelden worden weergegeven; ook: een scheidingswand of afscherming
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Het scherm van zijn telefoon is gebarsten.
• Ze keek urenlang naar het computerscherm.
een mobiele telefoon met geavanceerde functies zoals internettoegang, apps en een touchscreen
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Bijna iedereen heeft tegenwoordig een smartphone.
• Hij controleerde zijn berichten op zijn smartphone.
een elektronisch apparaat voor het verwerken van informatie
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze werkt de hele dag achter een computer.
• Hij heeft een nieuwe computer gekocht.
een apparaat dat digitale documenten op papier afdrukt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• De printer op kantoor is weer stuk.
• Ze stuurde het bestand naar de printer om het af te drukken.
een apparaat dat radiosignalen ontvangt en omzet in geluid; ook: het medium
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze luistert elke ochtend naar de radio.
• Het liedje werd veel gedraaid op de radio.
een apparaat voor het ontvangen en weergeven van audiovisuele uitzendingen
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze kijkt graag 's avonds televisie.
• Het nieuws komt om acht uur op televisie.
draadloze internetverbinding via radiosignalen
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Is er wifi beschikbaar in dit café?
• De wifi is te langzaam om een film te streamen.
een apparaat dat elektrische energie opslaat en levert
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• De batterij van zijn telefoon was leeg.
• Ze kochten oplaadbare batterijen voor de zaklamp.
een machine of toestel voor een bepaalde functie
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Het apparaat werkt niet meer.
• Ze kochten een nieuw keukenapparaat.
een kleine camera die aan een computer of scherm is bevestigd voor videogesprekken en opnamen
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze gebruikte een webcam tijdens de videovergadering.
• De webcam is aangesloten op de laptop.
het vermogen om informatie op te slaan en terug te halen; ook: de opslagcapaciteit van een computer
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Hij heeft een uitstekend geheugen.
• De computer heeft te weinig geheugen.
een klein draagbaar apparaat om de tijd af te lezen, gedragen om de pols of in de zak
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Hij keek op zijn horloge en zag dat hij te laat was.
• Ze ontving een gouden horloge als huwelijkscadeau.
een apparaat aan het einde van een snoer dat in een stopcontact wordt gestoken om stroom te krijgen
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Trek de stekker uit het stopcontact als je het apparaat niet gebruikt.
• De stekker van de lamp past niet in dit stopcontact.
een apparaatje waarmee je elektriciteit aan of uit kunt zetten
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Druk op de schakelaar om het licht aan te doen.
• De schakelaar van de ventilator zit naast de deur.
een apparaat of machine voor een bepaald doel; ook gebruikt voor vliegtuig of telefoon
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Het toestel landde veilig op de luchthaven.
• Mijn toestel heeft een lege batterij.