Polidict Logo
Відкрити застосунокУвійти

Будьмо на звʼязку

Отримуйте оновлення продукту й новини про нові функції.

Введіть ваш email
Підписатися

Зв'яжіться з нами

Повідомте про проблеми або зробіть запит за електронною поштою support@polidict.com

Сторінки

ГоловнаПро насБлогЦіниПлан розвитку

Колекції

Англійські словаІспанські словаУкраїнські словаПольські словаФранцузькі словаНімецькі словаІталійські словаКорейські словаЯпонські словаШведські словаАрабські словаНідерландські словаКитайські слова

Слідкуйте за нами

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Мова сайту & Тема

uk
Системна

Розроблено Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Політика конфіденційностіУмови надання послуг
  1. Колекції
  2. Технології
  3. Пристрої та гаджети

Пристрої та гаджети

Сучасні технології та щоденні пристрої

Базовий
Технології
telefoon
/ˈteːleːfoːn/

een toestel waarmee men op afstand kan communiceren via spraak

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Mijn telefoon heeft geen bereik hier.

• Ze belde hem op via de telefoon.

laptop
/ˈlɑptɔp/

een draagbare computer

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Ze werkt thuis op haar laptop.

• Zijn laptop heeft een nieuwe batterij nodig.

camera
/ˈkaːmeːraː/

een apparaat voor het vastleggen van foto's of video

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Ze fotografeert met een professionele camera.

• Er hangt een beveiligingscamera bij de ingang.

scherm
/sxɛrm/

het vlak van een elektronisch apparaat waarop beelden worden weergegeven; ook: een scheidingswand of afscherming

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Het scherm van zijn telefoon is gebarsten.

• Ze keek urenlang naar het computerscherm.

smartphone
/ˈsmɑrtfoːnə/

een mobiele telefoon met geavanceerde functies zoals internettoegang, apps en een touchscreen

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Bijna iedereen heeft tegenwoordig een smartphone.

• Hij controleerde zijn berichten op zijn smartphone.

computer
/ˈkɔmpyːtər/

een elektronisch apparaat voor het verwerken van informatie

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Ze werkt de hele dag achter een computer.

• Hij heeft een nieuwe computer gekocht.

printer
/ˈprɪntər/

een apparaat dat digitale documenten op papier afdrukt

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• De printer op kantoor is weer stuk.

• Ze stuurde het bestand naar de printer om het af te drukken.

radio
/ˈraːdioː/

een apparaat dat radiosignalen ontvangt en omzet in geluid; ook: het medium

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Ze luistert elke ochtend naar de radio.

• Het liedje werd veel gedraaid op de radio.

televisie
/ˈteːleːvisi/

een apparaat voor het ontvangen en weergeven van audiovisuele uitzendingen

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Ze kijkt graag 's avonds televisie.

• Het nieuws komt om acht uur op televisie.

wifi
/ˈwɑɪfɑɪ/

draadloze internetverbinding via radiosignalen

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Is er wifi beschikbaar in dit café?

• De wifi is te langzaam om een film te streamen.

batterij
/ˈbɑteːrɛi/

een apparaat dat elektrische energie opslaat en levert

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• De batterij van zijn telefoon was leeg.

• Ze kochten oplaadbare batterijen voor de zaklamp.

apparaat
/ˈɑpaːraːt/

een machine of toestel voor een bepaalde functie

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Het apparaat werkt niet meer.

• Ze kochten een nieuw keukenapparaat.

webcam
/ˈwɛbkɑm/

een kleine camera die aan een computer of scherm is bevestigd voor videogesprekken en opnamen

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Ze gebruikte een webcam tijdens de videovergadering.

• De webcam is aangesloten op de laptop.

geheugen
/ˈxeːhøːxən/

het vermogen om informatie op te slaan en terug te halen; ook: de opslagcapaciteit van een computer

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Hij heeft een uitstekend geheugen.

• De computer heeft te weinig geheugen.

horloge
/ˈhɔrloːxə/

een klein draagbaar apparaat om de tijd af te lezen, gedragen om de pols of in de zak

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Hij keek op zijn horloge en zag dat hij te laat was.

• Ze ontving een gouden horloge als huwelijkscadeau.

stekker
/ˈstɛkər/

een apparaat aan het einde van een snoer dat in een stopcontact wordt gestoken om stroom te krijgen

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Trek de stekker uit het stopcontact als je het apparaat niet gebruikt.

• De stekker van de lamp past niet in dit stopcontact.

schakelaar
/ˈsxaːkəlaːr/

een apparaatje waarmee je elektriciteit aan of uit kunt zetten

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Druk op de schakelaar om het licht aan te doen.

• De schakelaar van de ventilator zit naast de deur.

toestel
/ˈtustəl/

een apparaat of machine voor een bepaald doel; ook gebruikt voor vliegtuig of telefoon

zelfstandig naamwoord

Приклади:

• Het toestel landde veilig op de luchthaven.

• Mijn toestel heeft een lege batterij.