Enable JavaScript or open this page in a browser that allows scripts for polidict.com.
een klein draagbaar apparaat om de tijd af te lezen, gedragen om de pols of in de zak
zelfstandig naamwoord
Examples:
β’ Hij keek op zijn horloge en zag dat hij te laat was.
β’ Ze ontving een gouden horloge als huwelijkscadeau.