Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Top 50 Words

Top 50 Words

The 50 most useful Dutch content words for beginne

50 words · Dutch (Netherlands)

te

/teː/

  1. partikel dat samen met een werkwoord een infinitief vormt, of een bijwoord dat 'in te grote mate' aanduidt

    bijwoord

    Examples

    • Hij probeerde te slapen maar kon niet.
    • Het is te warm om buiten te werken.

niet

/nit/

  1. bijwoord van ontkenning dat aangeeft dat iets niet het geval is

    bijwoord

    Examples

    • Ik ga vandaag niet naar school.
    • Dat klopt niet helemaal.

zijn

/zɛin/

  1. koppelwerkwoord dat een toestand, hoedanigheid of identiteit uitdrukt

    werkwoord

    Examples

    • Hij is dokter van beroep.
    • De kinderen zijn moe na een lange dag.

nog

/nɔx/

  1. bijwoord dat aangeeft dat een toestand of handeling voortduurt of aanvullend is

    bijwoord

    Examples

    • Ze slaapt nog, wakker haar niet.
    • Wil je nog een kopje koffie?

hebben

/ˈhɛbən/

  1. werkwoord dat bezit, beschikking of een hulpwerkwoordfunctie uitdrukt

    werkwoord

    Examples

    • Wij hebben een grote hond.
    • Ze heeft haar huiswerk al gemaakt.

meer

/meːr/

  1. bijwoord of bijvoeglijk naamwoord dat een grotere hoeveelheid of mate aanduidt

    bijwoord

    Examples

    • Ze heeft meer geduld nodig.
    • Ik wil meer weten over dit onderwerp.

zo

/zoː/

  1. bijwoord dat een manier, mate of overeenkomst uitdrukt

    bijwoord

    Examples

    • Doe het zo, dan gaat het makkelijker.
    • Hij is zo moe dat hij niet meer kan denken.

al

/ɑl/

  1. bijwoord dat aangeeft dat iets eerder is gebeurd dan verwacht of reeds het geval is

    bijwoord

    Examples

    • Ben je al klaar met eten?
    • Ze is al vertrokken voordat ik aankwam.

wel

/ʋɛl/

  1. bijwoord dat bevestiging, toegeving of nadruk uitdrukt, soms als tegenstelling tot 'niet'

    bijwoord

    Examples

    • Ik heb het wel geprobeerd, maar het lukte niet.
    • Dat is wel een mooie oplossing.

worden

/ˈʋɔrdən/

  1. werkwoord dat een overgang naar een nieuwe toestand of hoedanigheid uitdrukt

    werkwoord

    Examples

    • Ze wil later dokter worden.
    • Het wordt steeds warmer buiten.

nu

/nyː/

  1. bijwoord dat het huidige moment aanduidt

    bijwoord

    Examples

    • Wat doe jij nu?
    • Nu is het tijd om te beginnen.

veel

/veːl/

  1. bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat een grote hoeveelheid of mate aanduidt

    bijwoord

    Examples

    • Er zijn veel mensen op het plein.
    • Ze heeft veel ervaring met dit werk.

jaar

/jaːr/

  1. tijdseenheid van twaalf maanden of 365 dagen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze woont al vijf jaar in Amsterdam.
    • Vorig jaar was de zomer erg warm.

hoe

/hu/

  1. vragend bijwoord dat naar de manier of wijze vraagt

    bijwoord

    Examples

    • Hoe gaat het met jou?
    • Ik weet niet hoe ik dit moet oplossen.

waar

/ʋaːr/

  1. vragend bijwoord dat naar een plaats vraagt

    bijwoord

    Examples

    • Waar ben jij naartoe gegaan?
    • Ik weet niet waar hij woont.

goed

/xut/

  1. bijvoeglijk naamwoord dat een positieve kwaliteit, correctheid of deugdzaamheid aanduidt

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Ze heeft een goed resultaat behaald op haar examen.
    • Hij is een goede vriend voor mij.

gaan

/xaːn/

  1. werkwoord dat beweging van een plaats naar een andere aanduidt

    werkwoord

    Examples

    • We gaan morgen naar het strand.
    • Hoe gaat het met je?

doen

/dun/

  1. werkwoord dat het verrichten van een handeling of activiteit aanduidt

    werkwoord

    Examples

    • Wat doe jij dit weekend?
    • Ze doet haar best op school.

andere

/ˈɑndeːrə/

  1. bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets of iemand verschilt van het eerder genoemde

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Er zijn andere manieren om dit probleem op te lossen.
    • Ze wil graag andere mensen leren kennen.

hier

/hir/

  1. bijwoord van plaats dat verwijst naar de plek waar de spreker zich bevindt

    bijwoord

    Examples

    • Kom hier, ik wil je iets laten zien.
    • Hier is het altijd druk op vrijdag.

maken

/ˈmaːkən/

  1. werkwoord dat het vervaardigen, produceren of veroorzaken van iets aanduidt

    werkwoord

    Examples

    • Hij maakt elke dag zijn bed op.
    • Ze maakt prachtige schilderijen.

twee

/tʋeː/

  1. het getal dat volgt op één en voorafgaat aan drie

    telwoord

    Examples

    • Er staan twee stoelen aan de tafel.
    • Ze heeft twee zussen en een broer.

weer

/ʋeːr/

  1. bijwoord dat herhaling of terugkeer aanduidt

    bijwoord

    Examples

    • Hij is weer terug van vakantie.
    • Ze begon weer opnieuw na haar mislukking.

zien

/zin/

  1. werkwoord dat het waarnemen met de ogen of het begrijpen van iets aanduidt

    werkwoord

    Examples

    • Ik zie een grote vogel in de boom.
    • Ze wil haar vrienden graag zien.

eerste

/ˈeːrstə/

  1. rangtelwoord dat de positie voor alle anderen in een reeks aanduidt

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Ze was de eerste die aankwam.
    • Het eerste hoofdstuk van het boek is erg boeiend.

echt

/ɛxt/

  1. bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat echtheid, authenticiteit of grote mate aanduidt

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Dit is een echt gouden ring.
    • Ze is echt blij met haar cadeau.

daar

/daːr/

  1. bijwoord van plaats dat verwijst naar een plek op afstand van de spreker

    bijwoord

    Examples

    • Kijk, daar staat de kerk.
    • Hij woont daar al tien jaar.

heel

/heːl/

  1. bijwoord dat een hoge mate aanduidt, of bijvoeglijk naamwoord dat volledigheid aanduidt

    bijwoord

    Examples

    • Ze is heel vriendelijk tegen iedereen.
    • Hij heeft de hele dag gewerkt.

dag

/dɑx/

  1. tijdseenheid van vierentwintig uur, of de periode van licht tussen zonsopgang en zonsondergang

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Het was een mooie, zonnige dag.
    • Ze werkt vijf dagen per week.

tijd

/tɛit/

  1. de voortschrijdende stroom van gebeurtenissen, of een bepaalde periode daarbinnen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ik heb geen tijd om nu te praten.
    • Ze heeft veel tijd besteed aan haar studie.

komen

/ˈkoːmən/

  1. werkwoord dat beweging naar de spreker of een aangewezen plek aanduidt

    werkwoord

    Examples

    • Ze komt morgen bij ons eten.
    • Wanneer kom jij naar Nederland?

leven

/ˈleːvən/

  1. het bestaan van een levend wezen, of de totale duur van iemands bestaan

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze heeft een gelukkig leven geleid.
    • Het leven in de stad is heel anders dan op het platteland.

altijd

/ˈɑltɛit/

  1. bijwoord dat aangeeft dat iets in alle omstandigheden of voortdurend het geval is

    bijwoord

    Examples

    • Ze is altijd vriendelijk tegenover iedereen.
    • Hij zorgt er altijd voor dat hij op tijd is.

laten

/ˈlaːtən/

  1. werkwoord dat toestemming geven, iemand iets laten doen of nalaten uitdrukt

    werkwoord

    Examples

    • Ze laat haar kinderen zelf beslissen.
    • Laat me even nadenken.

waarom

/ˈʋaːrɔm/

  1. vragend bijwoord dat naar de reden of oorzaak vraagt

    bijwoord

    Examples

    • Waarom ben je zo laat?
    • Ik begrijp niet waarom ze dat heeft gedaan.

gewoon

/ˈxeːʋoːn/

  1. bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat normaliteit, alledaagsheid of simpelheid aanduidt

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Het is een gewone dag, niets bijzonders.
    • Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

man

/mɑn/

  1. een volwassen mannelijk persoon

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De man loopt door het park.
    • Hij is een vriendelijke man.

terug

/ˈteːrʏx/

  1. bijwoord dat terugkeer naar een eerdere positie of toestand aanduidt

    bijwoord

    Examples

    • Ze is terug van haar vakantie.
    • Ga terug naar je kamer.

laat

/laːt/

  1. bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets na het verwachte of afgesproken tijdstip plaatsvindt

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • De trein is laat, we moeten wachten.
    • Ze werkt altijd laat en komt pas om middernacht thuis.

uur

/yːr/

  1. tijdseenheid van zestig minuten

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De vergadering duurt twee uur.
    • Hij werkt acht uur per dag.

steeds

/steːds/

  1. bijwoord dat voortduring of herhaling aanduidt, soms met toenemende intensiteit

    bijwoord

    Examples

    • Het wordt steeds warmer in de zomer.
    • Ze vraagt steeds hetzelfde.

eigen

/ˈɛixən/

  1. bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets aan de persoon zelf toebehoort of kenmerkend voor hem is

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Ze heeft haar eigen appartement.
    • Hij werkt liever op zijn eigen manier.

weg

/ʋɛx/

  1. verharde of onverharde strook land bestemd voor verkeer, of bijwoord dat verwijdering aanduidt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De weg naar de stad is afgesloten.
    • Hij is weg, je kunt hem nu niet bereiken.

binnen

/ˈbɪnən/

  1. bijwoord of voorzetsel dat een positie aan de binnenkant of binnen een bepaalde termijn aanduidt

    bijwoord

    Examples

    • Kom binnen, de deur staat open.
    • We moeten dit binnen een week afmaken.

nooit

/noːit/

  1. bijwoord dat aangeeft dat iets op geen enkel moment heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden

    bijwoord

    Examples

    • Hij is nooit te laat voor zijn werk.
    • Ik heb dit boek nooit gelezen.

één

/één/

  1. het getal 1, of het lidwoord dat een enkelvoudig onbepaald object aanduidt met nadruk op uniciteit

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Er is maar één oplossing voor dit probleem.
    • Ik heb één broer en twee zussen.

drie

/dri/

  1. het getal dat volgt op twee en voorafgaat aan vier

    telwoord

    Examples

    • Ze heeft drie katten.
    • Het duurt nog drie dagen.

aantal

/ˈaːntɑl/

  1. een bepaalde hoeveelheid van iets dat geteld kan worden

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Er is een groot aantal mensen aanwezig.
    • Het aantal auto's op de weg neemt toe.

geven

/ˈxeːvən/

  1. werkwoord dat het overdragen of verstrekken van iets aan iemand aanduidt

    werkwoord

    Examples

    • Ze geeft haar man een cadeau.
    • De leraar geeft uitleg over het nieuwe onderwerp.

samen

/ˈsaːmən/

  1. bijwoord dat aangeeft dat twee of meer personen of dingen gezamenlijk iets doen of zijn

    bijwoord

    Examples

    • Ze gaan samen op vakantie.
    • We kunnen dit probleem beter samen oplossen.