The 50 most useful Dutch content words for beginne
50 wordsDutch (Netherlands)
/teː/
partikel dat samen met een werkwoord een infinitief vormt, of een bijwoord dat 'in te grote mate' aanduidt
bijwoord
Examples
/nit/
bijwoord van ontkenning dat aangeeft dat iets niet het geval is
bijwoord
Examples
/zɛin/
koppelwerkwoord dat een toestand, hoedanigheid of identiteit uitdrukt
werkwoord
Examples
/nɔx/
bijwoord dat aangeeft dat een toestand of handeling voortduurt of aanvullend is
bijwoord
Examples
/ˈhɛbən/
werkwoord dat bezit, beschikking of een hulpwerkwoordfunctie uitdrukt
werkwoord
Examples
/meːr/
bijwoord of bijvoeglijk naamwoord dat een grotere hoeveelheid of mate aanduidt
bijwoord
Examples
/zoː/
bijwoord dat een manier, mate of overeenkomst uitdrukt
bijwoord
Examples
/ɑl/
bijwoord dat aangeeft dat iets eerder is gebeurd dan verwacht of reeds het geval is
bijwoord
Examples
/ʋɛl/
bijwoord dat bevestiging, toegeving of nadruk uitdrukt, soms als tegenstelling tot 'niet'
bijwoord
Examples
/ˈʋɔrdən/
werkwoord dat een overgang naar een nieuwe toestand of hoedanigheid uitdrukt
werkwoord
Examples
/nyː/
bijwoord dat het huidige moment aanduidt
bijwoord
Examples
/veːl/
bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat een grote hoeveelheid of mate aanduidt
bijwoord
Examples
/jaːr/
tijdseenheid van twaalf maanden of 365 dagen
zelfstandig naamwoord
Examples
/hu/
vragend bijwoord dat naar de manier of wijze vraagt
bijwoord
Examples
/ʋaːr/
vragend bijwoord dat naar een plaats vraagt
bijwoord
Examples
/xut/
bijvoeglijk naamwoord dat een positieve kwaliteit, correctheid of deugdzaamheid aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/xaːn/
werkwoord dat beweging van een plaats naar een andere aanduidt
werkwoord
Examples
/dun/
werkwoord dat het verrichten van een handeling of activiteit aanduidt
werkwoord
Examples
/ˈɑndeːrə/
bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets of iemand verschilt van het eerder genoemde
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/hir/
bijwoord van plaats dat verwijst naar de plek waar de spreker zich bevindt
bijwoord
Examples
/ˈmaːkən/
werkwoord dat het vervaardigen, produceren of veroorzaken van iets aanduidt
werkwoord
Examples
/tʋeː/
het getal dat volgt op één en voorafgaat aan drie
telwoord
Examples
/ʋeːr/
bijwoord dat herhaling of terugkeer aanduidt
bijwoord
Examples
/zin/
werkwoord dat het waarnemen met de ogen of het begrijpen van iets aanduidt
werkwoord
Examples
/ˈeːrstə/
rangtelwoord dat de positie voor alle anderen in een reeks aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/ɛxt/
bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat echtheid, authenticiteit of grote mate aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/daːr/
bijwoord van plaats dat verwijst naar een plek op afstand van de spreker
bijwoord
Examples
/heːl/
bijwoord dat een hoge mate aanduidt, of bijvoeglijk naamwoord dat volledigheid aanduidt
bijwoord
Examples
/dɑx/
tijdseenheid van vierentwintig uur, of de periode van licht tussen zonsopgang en zonsondergang
zelfstandig naamwoord
Examples
/tɛit/
de voortschrijdende stroom van gebeurtenissen, of een bepaalde periode daarbinnen
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈkoːmən/
werkwoord dat beweging naar de spreker of een aangewezen plek aanduidt
werkwoord
Examples
/ˈleːvən/
het bestaan van een levend wezen, of de totale duur van iemands bestaan
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈɑltɛit/
bijwoord dat aangeeft dat iets in alle omstandigheden of voortdurend het geval is
bijwoord
Examples
/ˈlaːtən/
werkwoord dat toestemming geven, iemand iets laten doen of nalaten uitdrukt
werkwoord
Examples
/ˈʋaːrɔm/
vragend bijwoord dat naar de reden of oorzaak vraagt
bijwoord
Examples
/ˈxeːʋoːn/
bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat normaliteit, alledaagsheid of simpelheid aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/mɑn/
een volwassen mannelijk persoon
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈteːrʏx/
bijwoord dat terugkeer naar een eerdere positie of toestand aanduidt
bijwoord
Examples
/laːt/
bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets na het verwachte of afgesproken tijdstip plaatsvindt
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/yːr/
tijdseenheid van zestig minuten
zelfstandig naamwoord
Examples
/steːds/
bijwoord dat voortduring of herhaling aanduidt, soms met toenemende intensiteit
bijwoord
Examples
/ˈɛixən/
bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets aan de persoon zelf toebehoort of kenmerkend voor hem is
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/ʋɛx/
verharde of onverharde strook land bestemd voor verkeer, of bijwoord dat verwijdering aanduidt
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈbɪnən/
bijwoord of voorzetsel dat een positie aan de binnenkant of binnen een bepaalde termijn aanduidt
bijwoord
Examples
/noːit/
bijwoord dat aangeeft dat iets op geen enkel moment heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden
bijwoord
Examples
/één/
het getal 1, of het lidwoord dat een enkelvoudig onbepaald object aanduidt met nadruk op uniciteit
bijvoeglijk naamwoord
Examples
/dri/
het getal dat volgt op twee en voorafgaat aan vier
telwoord
Examples
/ˈaːntɑl/
een bepaalde hoeveelheid van iets dat geteld kan worden
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈxeːvən/
werkwoord dat het overdragen of verstrekken van iets aan iemand aanduidt
werkwoord
Examples
/ˈsaːmən/
bijwoord dat aangeeft dat twee of meer personen of dingen gezamenlijk iets doen of zijn
bijwoord
Examples