The 50 most useful Dutch content words for beginne
het getal dat volgt op één en voorafgaat aan drie
telwoord
Examples:
• Er staan twee stoelen aan de tafel.
• Ze heeft twee zussen en een broer.
het getal dat volgt op twee en voorafgaat aan vier
telwoord
Examples:
• Ze heeft drie katten.
• Het duurt nog drie dagen.
bijwoord dat een hoge mate aanduidt, of bijvoeglijk naamwoord dat volledigheid aanduidt
bijwoord
Examples:
• Ze is heel vriendelijk tegen iedereen.
• Hij heeft de hele dag gewerkt.
bijwoord of bijvoeglijk naamwoord dat een grotere hoeveelheid of mate aanduidt
bijwoord
Examples:
• Ze heeft meer geduld nodig.
• Ik wil meer weten over dit onderwerp.
bijwoord van ontkenning dat aangeeft dat iets niet het geval is
bijwoord
Examples:
• Ik ga vandaag niet naar school.
• Dat klopt niet helemaal.
partikel dat samen met een werkwoord een infinitief vormt, of een bijwoord dat 'in te grote mate' aanduidt
bijwoord
Examples:
• Hij probeerde te slapen maar kon niet.
• Het is te warm om buiten te werken.
koppelwerkwoord dat een toestand, hoedanigheid of identiteit uitdrukt
werkwoord
Examples:
• Hij is dokter van beroep.
• De kinderen zijn moe na een lange dag.
bijwoord dat aangeeft dat een toestand of handeling voortduurt of aanvullend is
bijwoord
Examples:
• Ze slaapt nog, wakker haar niet.
• Wil je nog een kopje koffie?
werkwoord dat bezit, beschikking of een hulpwerkwoordfunctie uitdrukt
werkwoord
Examples:
• Wij hebben een grote hond.
• Ze heeft haar huiswerk al gemaakt.
bijwoord dat aangeeft dat iets eerder is gebeurd dan verwacht of reeds het geval is
bijwoord
Examples:
• Ben je al klaar met eten?
• Ze is al vertrokken voordat ik aankwam.
bijwoord dat een manier, mate of overeenkomst uitdrukt
bijwoord
Examples:
• Doe het zo, dan gaat het makkelijker.
• Hij is zo moe dat hij niet meer kan denken.
werkwoord dat een overgang naar een nieuwe toestand of hoedanigheid uitdrukt
werkwoord
Examples:
• Ze wil later dokter worden.
• Het wordt steeds warmer buiten.
bijwoord dat bevestiging, toegeving of nadruk uitdrukt, soms als tegenstelling tot 'niet'
bijwoord
Examples:
• Ik heb het wel geprobeerd, maar het lukte niet.
• Dat is wel een mooie oplossing.
bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat een grote hoeveelheid of mate aanduidt
bijwoord
Examples:
• Er zijn veel mensen op het plein.
• Ze heeft veel ervaring met dit werk.
bijwoord dat het huidige moment aanduidt
bijwoord
Examples:
• Wat doe jij nu?
• Nu is het tijd om te beginnen.
vragend bijwoord dat naar de manier of wijze vraagt
bijwoord
Examples:
• Hoe gaat het met jou?
• Ik weet niet hoe ik dit moet oplossen.
tijdseenheid van twaalf maanden of 365 dagen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze woont al vijf jaar in Amsterdam.
• Vorig jaar was de zomer erg warm.
vragend bijwoord dat naar een plaats vraagt
bijwoord
Examples:
• Waar ben jij naartoe gegaan?
• Ik weet niet waar hij woont.
bijvoeglijk naamwoord dat een positieve kwaliteit, correctheid of deugdzaamheid aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze heeft een goed resultaat behaald op haar examen.
• Hij is een goede vriend voor mij.
werkwoord dat beweging van een plaats naar een andere aanduidt
werkwoord
Examples:
• We gaan morgen naar het strand.
• Hoe gaat het met je?
werkwoord dat het verrichten van een handeling of activiteit aanduidt
werkwoord
Examples:
• Wat doe jij dit weekend?
• Ze doet haar best op school.
bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets of iemand verschilt van het eerder genoemde
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Er zijn andere manieren om dit probleem op te lossen.
• Ze wil graag andere mensen leren kennen.
bijwoord van plaats dat verwijst naar de plek waar de spreker zich bevindt
bijwoord
Examples:
• Kom hier, ik wil je iets laten zien.
• Hier is het altijd druk op vrijdag.
werkwoord dat het vervaardigen, produceren of veroorzaken van iets aanduidt
werkwoord
Examples:
• Hij maakt elke dag zijn bed op.
• Ze maakt prachtige schilderijen.
bijwoord dat herhaling of terugkeer aanduidt
bijwoord
Examples:
• Hij is weer terug van vakantie.
• Ze begon weer opnieuw na haar mislukking.
werkwoord dat het waarnemen met de ogen of het begrijpen van iets aanduidt
werkwoord
Examples:
• Ik zie een grote vogel in de boom.
• Ze wil haar vrienden graag zien.
rangtelwoord dat de positie voor alle anderen in een reeks aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze was de eerste die aankwam.
• Het eerste hoofdstuk van het boek is erg boeiend.
bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat echtheid, authenticiteit of grote mate aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Dit is een echt gouden ring.
• Ze is echt blij met haar cadeau.
bijwoord van plaats dat verwijst naar een plek op afstand van de spreker
bijwoord
Examples:
• Kijk, daar staat de kerk.
• Hij woont daar al tien jaar.
tijdseenheid van vierentwintig uur, of de periode van licht tussen zonsopgang en zonsondergang
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het was een mooie, zonnige dag.
• Ze werkt vijf dagen per week.
de voortschrijdende stroom van gebeurtenissen, of een bepaalde periode daarbinnen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik heb geen tijd om nu te praten.
• Ze heeft veel tijd besteed aan haar studie.
werkwoord dat beweging naar de spreker of een aangewezen plek aanduidt
werkwoord
Examples:
• Ze komt morgen bij ons eten.
• Wanneer kom jij naar Nederland?
het bestaan van een levend wezen, of de totale duur van iemands bestaan
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft een gelukkig leven geleid.
• Het leven in de stad is heel anders dan op het platteland.
bijwoord dat aangeeft dat iets in alle omstandigheden of voortdurend het geval is
bijwoord
Examples:
• Ze is altijd vriendelijk tegenover iedereen.
• Hij zorgt er altijd voor dat hij op tijd is.
werkwoord dat toestemming geven, iemand iets laten doen of nalaten uitdrukt
werkwoord
Examples:
• Ze laat haar kinderen zelf beslissen.
• Laat me even nadenken.
vragend bijwoord dat naar de reden of oorzaak vraagt
bijwoord
Examples:
• Waarom ben je zo laat?
• Ik begrijp niet waarom ze dat heeft gedaan.
bijvoeglijk naamwoord of bijwoord dat normaliteit, alledaagsheid of simpelheid aanduidt
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Het is een gewone dag, niets bijzonders.
• Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.
een volwassen mannelijk persoon
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De man loopt door het park.
• Hij is een vriendelijke man.
bijwoord dat terugkeer naar een eerdere positie of toestand aanduidt
bijwoord
Examples:
• Ze is terug van haar vakantie.
• Ga terug naar je kamer.
bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets na het verwachte of afgesproken tijdstip plaatsvindt
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De trein is laat, we moeten wachten.
• Ze werkt altijd laat en komt pas om middernacht thuis.
tijdseenheid van zestig minuten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De vergadering duurt twee uur.
• Hij werkt acht uur per dag.
bijwoord dat voortduring of herhaling aanduidt, soms met toenemende intensiteit
bijwoord
Examples:
• Het wordt steeds warmer in de zomer.
• Ze vraagt steeds hetzelfde.
bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft dat iets aan de persoon zelf toebehoort of kenmerkend voor hem is
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze heeft haar eigen appartement.
• Hij werkt liever op zijn eigen manier.
verharde of onverharde strook land bestemd voor verkeer, of bijwoord dat verwijdering aanduidt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De weg naar de stad is afgesloten.
• Hij is weg, je kunt hem nu niet bereiken.
bijwoord of voorzetsel dat een positie aan de binnenkant of binnen een bepaalde termijn aanduidt
bijwoord
Examples:
• Kom binnen, de deur staat open.
• We moeten dit binnen een week afmaken.
bijwoord dat aangeeft dat iets op geen enkel moment heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden
bijwoord
Examples:
• Hij is nooit te laat voor zijn werk.
• Ik heb dit boek nooit gelezen.
het getal 1, of het lidwoord dat een enkelvoudig onbepaald object aanduidt met nadruk op uniciteit
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Er is maar één oplossing voor dit probleem.
• Ik heb één broer en twee zussen.
een bepaalde hoeveelheid van iets dat geteld kan worden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er is een groot aantal mensen aanwezig.
• Het aantal auto's op de weg neemt toe.
werkwoord dat het overdragen of verstrekken van iets aan iemand aanduidt
werkwoord
Examples:
• Ze geeft haar man een cadeau.
• De leraar geeft uitleg over het nieuwe onderwerp.
bijwoord dat aangeeft dat twee of meer personen of dingen gezamenlijk iets doen of zijn
bijwoord
Examples:
• Ze gaan samen op vakantie.
• We kunnen dit probleem beter samen oplossen.