een meubelstuk voor het opbergen van voorwerpen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft haar boeken in de kast gezet.
• De oude kast op zolder is nog steeds stevig.
een meubel met een vlak horizontaal blad op poten, waaraan men eet, werkt of zit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze dekten de tafel voor het avondeten.
• Er lag een vaas bloemen op de tafel.
een keukenapparaat waarin voedsel wordt gebakken of geroosterd door middel van hitte
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze verwarmde de lasagne in de oven op 180 graden.
• De cake moet drie kwartier in de oven.
een financiële instelling die geld beheert; ook: een zitmeubel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze haalt geld op bij de bank.
• Ze zaten op de bank voor de televisie.
Een meubelstuk ontworpen om op te zitten, meestal met vier poten en een rugleuning.
noun
Examples:
• Hij zette de stoelen rond de tafel.
• De oude houten stoel kraakte toen ze ging zitten.
een meubel om in te slapen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik ga vroeg naar bed vanavond.
• Het bed is zacht en comfortabel.
een kast met meerdere laden voor het opbergen van kleding en andere spullen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze legde haar truien netjes in de ladekast.
• De ladekast in de slaapkamer heeft vijf laden.
een plank of rek voor het bewaren en tonen van boeken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De boekenplank staat vol met romans en studieboeken.
• Hij zette het nieuwe boek op de boekenplank.
Een apparaat voor het koelen van voedsel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze zette de restjes in de koelkast.
• De koelkast was bijna leeg.
een keukenapparaat dat voedsel snel verwarmt of ontdooit met behulp van magnetronstraling
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij deed de soep in de magnetron voor twee minuten.
• Kun je vlees ontdooien in de magnetron?
een huishoudelijk apparaat dat vaat en bestek automatisch wast en afspoelt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze ruimde de borden op in de vaatwasser na het avondeten.
• De vaatwasser is vol, dus zet hem maar aan.
een apparaat dat kleding en textiel automatisch wast met water en wasmiddel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze deed een was in de wasmachine voordat ze naar haar werk ging.
• De wasmachine staat in de bijkeuken.
een apparaat dat gewassen kleding droogt door middel van warme lucht
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij deed de natte kleding in de droger na het wassen.
• De droger staat naast de wasmachine in de kelder.
een elektrisch apparaat dat stof en vuil van vloeren en tapijten opzuigt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gebruikte de stofzuiger om het tapijt schoon te maken.
• De stofzuiger maakt veel lawaai als je hem aanzet.
een toestel dat warmte produceert om een ruimte te verwarmen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij zette de kachel aan want het was koud in huis.
• De kinderen gingen dicht bij de kachel zitten om warm te worden.
een systeem dat de lucht in een ruimte koelt en van een aangenaam klimaat voorziet
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De airconditioning werkt goed in dit kantoor, ook op warme zomerdagen.
• Ze zette de airconditioning aan omdat het buiten meer dan dertig graden was.
een klein elektrisch apparaat waarmee je brood roostert
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze maakte elke ochtend twee sneetjes toast in de broodrooster.
• De broodrooster staat op het aanrecht naast de waterkoker.
een elektrisch keukengerei dat ingrediënten mixt, pureet of vloeibaar maakt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze maakte een smoothie met fruit en yoghurt in de blender.
• Met de blender kun je snel een soep pureren.
een elektrisch apparaat met een heet metalen zool waarmee je kreukels uit kleding strijkt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij streek zijn overhemd glad met het strijkijzer voor de vergadering.
• Zet het strijkijzer altijd rechtop als je even stopt, anders brand je iets.