Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Home
  3. Furniture & Appliances

Furniture & Appliances

Furniture and home appliances

Basic
Home
bank
/bɑŋk/

een financiële instelling die geld beheert; ook: een zitmeubel

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze haalt geld op bij de bank.

• Ze zaten op de bank voor de televisie.

stoel
/stul/

Een meubelstuk ontworpen om op te zitten, meestal met vier poten en een rugleuning.

noun

Examples:

• Hij zette de stoelen rond de tafel.

• De oude houten stoel kraakte toen ze ging zitten.

tafel
/ˈtaːfəl/

een meubel met een vlak horizontaal blad op poten, waaraan men eet, werkt of zit

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze dekten de tafel voor het avondeten.

• Er lag een vaas bloemen op de tafel.

bed
/bɛt/

een meubel om in te slapen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ik ga vroeg naar bed vanavond.

• Het bed is zacht en comfortabel.

ladekast
/ˈlaːdəkɑst/

een kast met meerdere laden voor het opbergen van kleding en andere spullen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze legde haar truien netjes in de ladekast.

• De ladekast in de slaapkamer heeft vijf laden.

boekenplank
/ˈbuːkənplɑŋk/

een plank of rek voor het bewaren en tonen van boeken

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De boekenplank staat vol met romans en studieboeken.

• Hij zette het nieuwe boek op de boekenplank.

kast
/kɑst/

een meubelstuk voor het opbergen van voorwerpen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze heeft haar boeken in de kast gezet.

• De oude kast op zolder is nog steeds stevig.

koelkast
/ˈkulkɑst/

Een apparaat voor het koelen van voedsel

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze zette de restjes in de koelkast.

• De koelkast was bijna leeg.

oven
/ˈoːvən/

een keukenapparaat waarin voedsel wordt gebakken of geroosterd door middel van hitte

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze verwarmde de lasagne in de oven op 180 graden.

• De cake moet drie kwartier in de oven.

magnetron
/ˌmaɣˈneːtrɔn/

een keukenapparaat dat voedsel snel verwarmt of ontdooit met behulp van magnetronstraling

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij deed de soep in de magnetron voor twee minuten.

• Kun je vlees ontdooien in de magnetron?

vaatwasser
/ˈvaːtˌwɑsər/

een huishoudelijk apparaat dat vaat en bestek automatisch wast en afspoelt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze ruimde de borden op in de vaatwasser na het avondeten.

• De vaatwasser is vol, dus zet hem maar aan.

wasmachine
/ˈwɑsməˌʃiːnə/

een apparaat dat kleding en textiel automatisch wast met water en wasmiddel

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze deed een was in de wasmachine voordat ze naar haar werk ging.

• De wasmachine staat in de bijkeuken.

droger
/ˈdroːɣər/

een apparaat dat gewassen kleding droogt door middel van warme lucht

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij deed de natte kleding in de droger na het wassen.

• De droger staat naast de wasmachine in de kelder.

stofzuiger
/ˈstɔfˌzœyɣər/

een elektrisch apparaat dat stof en vuil van vloeren en tapijten opzuigt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze gebruikte de stofzuiger om het tapijt schoon te maken.

• De stofzuiger maakt veel lawaai als je hem aanzet.

kachel
/ˈkɑxəl/

een toestel dat warmte produceert om een ruimte te verwarmen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij zette de kachel aan want het was koud in huis.

• De kinderen gingen dicht bij de kachel zitten om warm te worden.

airconditioning
/ˈɛːrkənˌdɪʃənɪŋ/

een systeem dat de lucht in een ruimte koelt en van een aangenaam klimaat voorziet

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De airconditioning werkt goed in dit kantoor, ook op warme zomerdagen.

• Ze zette de airconditioning aan omdat het buiten meer dan dertig graden was.

broodrooster
/ˈbroːtˌroːstər/

een klein elektrisch apparaat waarmee je brood roostert

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze maakte elke ochtend twee sneetjes toast in de broodrooster.

• De broodrooster staat op het aanrecht naast de waterkoker.

blender
/ˈblɛndər/

een elektrisch keukengerei dat ingrediënten mixt, pureet of vloeibaar maakt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze maakte een smoothie met fruit en yoghurt in de blender.

• Met de blender kun je snel een soep pureren.

strijkijzer
/ˈstrɛikˌɛizər/

een elektrisch apparaat met een heet metalen zool waarmee je kreukels uit kleding strijkt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij streek zijn overhemd glad met het strijkijzer voor de vergadering.

• Zet het strijkijzer altijd rechtop als je even stopt, anders brand je iets.