een ronde vrucht met een rode, gele of groene schil en wit vruchtvlees
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze at elke dag een appel.
• De appelboom in de tuin geeft elk jaar veel vruchten.
• Ze tekende appel aan bij de rechter.
een rood, sappig vruchtgroente dat veel gebruikt wordt in de keuken
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze sneed de tomaat in plakjes voor de salade.
• De soep is gemaakt van verse tomaten uit de tuin.
een bolgewas met een scherpe geur en smaak dat veel gebruikt wordt als smaakmaker in gerechten
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze bakte de ui in boter totdat hij glazig was.
• Zonder ui smaakt de soep veel minder lekker.
een vlak, horizontaal bord van hout of een ander materiaal waarop producten worden neergelegd of opgeslagen
zelfstandig naamwoord
例句:
• De blikken soep staan op de onderste plank in het rek.
• Ze zocht haar favoriete pasta op de plank met Italiaanse producten.
een smal doorlooppad tussen rijen rekken of stoelen, zoals in een supermarkt of vliegtuig
zelfstandig naamwoord
例句:
• De pasta staat in het gangpad met Italiaanse producten.
• De stewardess liep door het gangpad om drankjes te serveren.
een witte voedzame vloeistof die door zoogdieren wordt geproduceerd om hun jongen te voeden
zelfstandig naamwoord
例句:
• Hij drinkt elke ochtend een glas melk.
• Koeien geven melk.
een voedingsmiddel gemaakt van stremsel gewei melk, verkrijgbaar in vele soorten en smaken
zelfstandig naamwoord
例句:
• Nederland is beroemd om zijn kaas.
• Ze at een boterham met kaas.
een geel zuivelproduct gemaakt van gekarnde room, gebruikt om op brood te smeren of mee te bakken
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze smeert 's ochtends boter op haar boterham.
• In dit recept bak je de ui in een klontje boter.
het ovale voortplantingslichaam van vogels of reptielen, of een kippenei als voedsel
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze kookte een ei voor haar ontbijt.
• Vogels leggen eieren.
Een tam gevogelte dat gehouden wordt voor eieren en vlees
zelfstandig naamwoord
例句:
• We eten vanavond kip met groenten.
• De kippen in de schuur legden elke dag eieren.
een basisvoedingsmiddel gemaakt van gebakken deeg van meel, water en gist
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ik eet elke dag een boterham brood.
• Dit brood is vandaag gebakken.
een grote winkel waar voedingsmiddelen en dagelijkse benodigdheden worden verkocht
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze koopt haar boodschappen in de supermarkt.
• De supermarkt is dicht op zondag.
een voertuig; ook: het wagen om iets te doen
zelfstandig naamwoord / werkwoord
例句:
• Zijn wagen staat voor de deur.
• Ze waagde het hem de waarheid te zeggen.
een winkel of bedrijf waar brood, gebak en andere bakeproducten worden gemaakt en verkocht
zelfstandig naamwoord
例句:
• Elke ochtend haal ik verse broodjes bij de bakkerij op de hoek.
• De bakkerij verspreidde een heerlijke geur van versgebakken brood.
voedingsproducten gemaakt van melk, zoals kaas, yoghurt en boter
zelfstandig naamwoord
例句:
• Het zuivelschap in de supermarkt staat vol met melk, kaas en yoghurt.
• Nederland is bekend om zijn zuivelproducten.
een winkel of afdeling die fijne, bijzondere of geïmporteerde etenswaren verkoopt
zelfstandig naamwoord
例句:
• Bij de delicatessen vond ze een zeldzame Italiaanse kaas.
• De delicatessen op de markt verkoopt ambachtelijke worst en foie gras.
een graangewas en het voedselproduct dat ervan gemaakt wordt, veelgegeten in Azië
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze kookte rijst als bijgerecht bij het Aziatische gerecht.
• Rijst is het basisvoedsel van meer dan de helft van de wereldbevolking.
de plek in een winkel waar klanten hun aankopen afrekenen
zelfstandig naamwoord
例句:
• Er stond een lange rij bij de kassa.
• Ze legde haar boodschappen op de band bij de kassa.
een medewerker in een winkel die de kassa bedient en betalingen verwerkt
zelfstandig naamwoord
例句:
• De kassier scande alle artikelen snel en vriendelijk.
• Ze vroeg de kassier of ze de bon mee wilde hebben.
een bewijsstuk van een aankoop waarop de gekochte artikelen en het betaalde bedrag staan vermeld
zelfstandig naamwoord
例句:
• Bewaar je bon als je het product wilt ruilen.
• Ze vroeg om de bon zodat ze de uitgaven kon declareren.
een draagbaar voorwerp van stof, leer of ander materiaal om spullen in te bewaren en mee te nemen
zelfstandig naamwoord
例句:
• Ze pakte haar tas en liep weg.
• Doe je boeken in je tas.
het bedrag dat betaald moet worden voor een product of dienst, of een onderscheiding
zelfstandig naamwoord
例句:
• Wat is de prijs van dit product?
• Ze heeft een prijs gewonnen voor haar onderzoek.
iets in bezit nemen door er geld voor te betalen
werkwoord
例句:
• Ze wil een nieuw huis kopen in de buurt.
• Hij koopt elke ochtend een krant bij de kiosk.
geld overdragen als vergoeding voor een dienst, product of schuld
werkwoord
例句:
• Kan ik met de creditcard betalen?
• Hij betaalt zijn huur altijd op tijd.