een vlak, horizontaal bord van hout of een ander materiaal waarop producten worden neergelegd of opgeslagen
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• De blikken soep staan op de onderste plank in het rek.
• Ze zocht haar favoriete pasta op de plank met Italiaanse producten.
een openluchtplek waar goederen worden verkocht; ook: het economisch handelsgebied
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Op zaterdag is er een markt op het plein.
• De aandelenmarkt daalde vandaag sterk.
een grote winkel waar voedingsmiddelen en dagelijkse benodigdheden worden verkocht
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze koopt haar boodschappen in de supermarkt.
• De supermarkt is dicht op zondag.
een voertuig; ook: het wagen om iets te doen
zelfstandig naamwoord / werkwoord
Приклади:
• Zijn wagen staat voor de deur.
• Ze waagde het hem de waarheid te zeggen.
een winkel of bedrijf waar brood, gebak en andere bakeproducten worden gemaakt en verkocht
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Elke ochtend haal ik verse broodjes bij de bakkerij op de hoek.
• De bakkerij verspreidde een heerlijke geur van versgebakken brood.
voedingsproducten gemaakt van melk, zoals kaas, yoghurt en boter
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Het zuivelschap in de supermarkt staat vol met melk, kaas en yoghurt.
• Nederland is bekend om zijn zuivelproducten.
een winkel of afdeling die fijne, bijzondere of geïmporteerde etenswaren verkoopt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Bij de delicatessen vond ze een zeldzame Italiaanse kaas.
• De delicatessen op de markt verkoopt ambachtelijke worst en foie gras.
de plek in een winkel waar klanten hun aankopen afrekenen
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Er stond een lange rij bij de kassa.
• Ze legde haar boodschappen op de band bij de kassa.
een medewerker in een winkel die de kassa bedient en betalingen verwerkt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• De kassier scande alle artikelen snel en vriendelijk.
• Ze vroeg de kassier of ze de bon mee wilde hebben.
een bewijsstuk van een aankoop waarop de gekochte artikelen en het betaalde bedrag staan vermeld
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Bewaar je bon als je het product wilt ruilen.
• Ze vroeg om de bon zodat ze de uitgaven kon declareren.