een rood, sappig vruchtgroente dat veel gebruikt wordt in de keuken
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze sneed de tomaat in plakjes voor de salade.
• De soep is gemaakt van verse tomaten uit de tuin.
een zetmeelrijke knol die onder de grond groeit en als basisvoedsel wordt gegeten
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• We aten gekookte aardappelen met groente en vlees.
• Hij schilde de aardappelen voor het avondeten.
een oranje wortelgroente met een zoete smaak die rauw of gekookt gegeten wordt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• De kinderen knabbelden op rauwe wortels als tussendoortje.
• Ze raspte een wortel door de salade voor extra kleur.
een bolgewas met een scherpe geur en smaak dat veel gebruikt wordt als smaakmaker in gerechten
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze bakte de ui in boter totdat hij glazig was.
• Zonder ui smaakt de soep veel minder lekker.
een langwerpige, groene vruchtgroente met een waterrijk vruchtvlees die veel in salades wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze sneed de komkommer in dunne plakjes voor de salade.
• Een komkommer bestaat voor meer dan negentig procent uit water.
een groene koolsoort met dichte roosjes die gestoomd of gekookt als groente gegeten wordt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze stoomde de broccoli kort zodat hij nog knapperig bleef.
• Broccoli bevat veel vitamine C en is goed voor je.
een bladgewas dat vaak rauw gegeten wordt in salades
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• We hebben verse sla gekocht voor de salade.
• Sla groeit het beste in koelere klimaten.
een schimmel met een hoed en steel die als eetbare groente wordt gebruikt of in het wild groeit
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze bakte de paddenstoelen met knoflook en peterselie.
• In het bos vond hij een grote eetbare paddenstoel.
een graangewas met gele korrels op een kolf dat als groente of grondstof wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze gooide een kolf maïs op de barbecue.
• De boer verbouwde maïs op zijn akker.
een bolgewas met een sterke, kenmerkende geur dat als smaakmaker in de keuken wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Hij perste twee teentjes knoflook uit voor de saus.
• De pasta smaakt heerlijk met olijfolie en knoflook.
een grote, holle vruchtgroente in rood, geel of groen die rauw of gebakken gegeten wordt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze sneed een rode peper in reepjes voor de wokschotel.
• De gevulde paprika's stonden al in de oven.
een ronde bladgroente met stevige, dicht op elkaar gepakte bladeren die rauw of gekookt gegeten wordt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze maakte zuurkool van witte kool voor bij de worst.
• De boerenkool is in de winter het lekkerst na de eerste vorst.
een klein, rond, groen zaadje dat in een peul groeit en als groente wordt gegeten
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze voegde een handvol erwten toe aan de risotto.
• Erwtensoep met spek is een klassiek Nederlands wintergerecht.
een peulvrucht waarvan het zaad of de gehele peul als groente gegeten wordt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze kookte sperziebonen als bijgerecht bij het vlees.
• Bruine bonen met spek is een traditioneel Nederlands gerecht.
een groentegewas met knapperige stengels en uitgesproken smaak dat in soepen en salades wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Приклади:
• Ze sneed een stengel selderij fijn voor de groentesoep.
• Knolselderij is een populaire wintergroente in Nederland.