Enable JavaScript or open this page in a browser that allows scripts for polidict.com.
een zoete, warme specerij gemaakt van de bast van de kaneelboom, gebruikt in zoet en hartig eten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bestrooit haar appeltaart altijd met kaneel en suiker.
• Een snufje kaneel maakt de havermout veel lekkerder.