Enable JavaScript or open this page in a browser that allows scripts for polidict.com.
een lang absorberend kledingstuk dat na het douchen of baden gedragen wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
β’ Ze trok haar badjas aan en liep naar de keuken voor een kop thee.
β’ In het hotel hing er een witte badjas aan de deur van de badkamer.