
/ˈpɑdənˌstuːl/
een schimmel met een hoed en steel die als eetbare groente wordt gebruikt of in het wild groeit
zelfstandig naamwoord
Examples
/bɛs/
een klein, rond, sappig vruchtje dat aan struiken of planten groeit
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈbraːmbɛs/
zwarte, glanzende bes die groeit aan doornige struiken langs bosranden en wegranden
zelfstandig naamwoord
Examples
/frɑmˈboːs/
kleine, rode of roze vrucht met een zoetige en licht zure smaak, bestaande uit meerdere kleine steenvruchtjes
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈbɔsbɛs/
kleine, ronde, donkerblauwe bes die zoet van smaak is en in bossen en heidevelden groeit
zelfstandig naamwoord
Examples
/kɑˈstɑɲə/
de bruine noot van de kastanjeboom, die in een stekelige bolster groeit
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈɛi̯kəl/
de vrucht van de eikenboom, een ovaalvormige noot in een bekervormig napje
zelfstandig naamwoord
Examples
/krœyt/
een aromatische plant waarvan de bladeren of stengels worden gebruikt in de keuken
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈhoːnɪŋ/
een zoete, dikke vloeistof die bijen maken van bloemennectar en die wordt gebruikt als zoetstof of broodbeleg
zelfstandig naamwoord
Examples
/vɛiɣ/
een peer- of druppelvormig fruit met een paarse of groene schil en zoet, rood vruchtvlees vol kleine zaadjes
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈʋɑlnoːt/
een eetbare noot van de walnotenboom met een harde, gerimpelde schaal
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈɦaːzəlnoːt/
een kleine ronde noot van de hazelaar, met een bruine harde schaal
zelfstandig naamwoord
Examples
/mʏnt/
een aromatisch kruid met een frisse, verkoelende smaak dat wordt gebruikt in dranken, gerechten en snoep
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈbrɑntˌneːtəl/
een wilde plant met fijne brandharen die huidirritatie veroorzaken bij aanraking
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈpaːrdə(n)ˌblum/
een veelvoorkomende wilde plant met gele bloemen en een ronde pluizenbol
zelfstandig naamwoord
Examples