Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Food
  3. Wild Food

Wild Food

Edible food found in nature

15 words · Dutch (Netherlands)

Difficulty
Intermediate
Topic
FoodNature
Wild Food

paddenstoel

/ˈpɑdənˌstuːl/

  1. een schimmel met een hoed en steel die als eetbare groente wordt gebruikt of in het wild groeit

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze bakte de paddenstoelen met knoflook en peterselie.
    • In het bos vond hij een grote eetbare paddenstoel.

bes

/bɛs/

  1. een klein, rond, sappig vruchtje dat aan struiken of planten groeit

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze plukte verse bessen uit de struik in de tuin.
    • De cake was versierd met blauwe bessen en slagroom.

braambes

/ˈbraːmbɛs/

  1. zwarte, glanzende bes die groeit aan doornige struiken langs bosranden en wegranden

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De kinderen kwamen met paarse vingers thuis na het plukken van braambessen.
    • Langs het pad groeiden braamstruiken vol met rijpe braambessen.

framboos

/frɑmˈboːs/

  1. kleine, rode of roze vrucht met een zoetige en licht zure smaak, bestaande uit meerdere kleine steenvruchtjes

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij plukte een handvol frambozen rechtstreeks van de struik.
    • Frambozen zijn heerlijk in een smoothie of op een yoghurt.

bosbes

/ˈbɔsbɛs/

  1. kleine, ronde, donkerblauwe bes die zoet van smaak is en in bossen en heidevelden groeit

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • We plukten een emmer bossen vol met bosbessen tijdens onze wandeling.
    • Ze maakte een taart met verse bosbessen en slagroom.

kastanje

/kɑˈstɑɲə/

  1. de bruine noot van de kastanjeboom, die in een stekelige bolster groeit

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • In de herfst raapten de kinderen kastanjes op in het park.
    • Geroosterde kastanjes zijn een populair wintersnack.

eikel

/ˈɛi̯kəl/

  1. de vrucht van de eikenboom, een ovaalvormige noot in een bekervormig napje

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De eekhoorns verstopten eikels in de grond als wintervoorraad.
    • Onder de oude eik lag de grond bezaaid met eikels.

kruid

/krœyt/

  1. een aromatische plant waarvan de bladeren of stengels worden gebruikt in de keuken

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Basilicum is een populair kruid in de Italiaanse keuken.
    • Ze kweekt verschillende kruiden in potten op het balkon.

honing

/ˈhoːnɪŋ/

  1. een zoete, dikke vloeistof die bijen maken van bloemennectar en die wordt gebruikt als zoetstof of broodbeleg

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze roert een lepel honing door haar thee.
    • Lokale honing heeft vaak een andere smaak dan honing uit de supermarkt.

vijg

/vɛiɣ/

  1. een peer- of druppelvormig fruit met een paarse of groene schil en zoet, rood vruchtvlees vol kleine zaadjes

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze legde verse vijgen op een bord met geitenkaas en honing.
    • Gedroogde vijgen zijn het hele jaar door verkrijgbaar in de supermarkt.

walnoot

/ˈʋɑlnoːt/

  1. een eetbare noot van de walnotenboom met een harde, gerimpelde schaal

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze voegde gehakte walnoten toe aan de salade voor een krokante bite.
    • Walnoten bevatten veel omega-3 vetzuren die goed zijn voor het hart.

hazelnoot

/ˈɦaːzəlnoːt/

  1. een kleine ronde noot van de hazelaar, met een bruine harde schaal

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze roosterde een handvol hazelnoten in de koekenpan.
    • De taart was gegarneerd met gehakte hazelnoten en pure chocolade.

munt

/mʏnt/

  1. een aromatisch kruid met een frisse, verkoelende smaak dat wordt gebruikt in dranken, gerechten en snoep

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze voegde een paar blaadjes munt toe aan haar thee.
    • De mojito werd gegarneerd met verse munt.

brandnetel

/ˈbrɑntˌneːtəl/

  1. een wilde plant met fijne brandharen die huidirritatie veroorzaken bij aanraking

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij liep per ongeluk door een veld met brandnetels en zijn benen begonnen te jeuken.
    • Brandnetelthee staat bekend om zijn gezondheidsvoordelen.

paardenbloem

/ˈpaːrdə(n)ˌblum/

  1. een veelvoorkomende wilde plant met gele bloemen en een ronde pluizenbol

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Het kind blies op de pluizenbol van de paardenbloem en keek hoe de zaadjes wegvlogen.
    • De weide stond vol met gele paardenbloemen.