een schimmel met een hoed en steel die als eetbare groente wordt gebruikt of in het wild groeit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bakte de paddenstoelen met knoflook en peterselie.
• In het bos vond hij een grote eetbare paddenstoel.
kleine, ronde, donkerblauwe bes die zoet van smaak is en in bossen en heidevelden groeit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• We plukten een emmer bossen vol met bosbessen tijdens onze wandeling.
• Ze maakte een taart met verse bosbessen en slagroom.
kleine, rode of roze vrucht met een zoetige en licht zure smaak, bestaande uit meerdere kleine steenvruchtjes
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij plukte een handvol frambozen rechtstreeks van de struik.
• Frambozen zijn heerlijk in een smoothie of op een yoghurt.
zwarte, glanzende bes die groeit aan doornige struiken langs bosranden en wegranden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kinderen kwamen met paarse vingers thuis na het plukken van braambessen.
• Langs het pad groeiden braamstruiken vol met rijpe braambessen.
een peer- of druppelvormig fruit met een paarse of groene schil en zoet, rood vruchtvlees vol kleine zaadjes
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze legde verse vijgen op een bord met geitenkaas en honing.
• Gedroogde vijgen zijn het hele jaar door verkrijgbaar in de supermarkt.
een zoete, dikke vloeistof die bijen maken van bloemennectar en die wordt gebruikt als zoetstof of broodbeleg
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze roert een lepel honing door haar thee.
• Lokale honing heeft vaak een andere smaak dan honing uit de supermarkt.
een aromatische plant waarvan de bladeren of stengels worden gebruikt in de keuken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Basilicum is een populair kruid in de Italiaanse keuken.
• Ze kweekt verschillende kruiden in potten op het balkon.
een klein, rond, sappig vruchtje dat aan struiken of planten groeit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze plukte verse bessen uit de struik in de tuin.
• De cake was versierd met blauwe bessen en slagroom.
de vrucht van de eikenboom, een ovaalvormige noot in een bekervormig napje
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De eekhoorns verstopten eikels in de grond als wintervoorraad.
• Onder de oude eik lag de grond bezaaid met eikels.
de bruine noot van de kastanjeboom, die in een stekelige bolster groeit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• In de herfst raapten de kinderen kastanjes op in het park.
• Geroosterde kastanjes zijn een populair wintersnack.
een aromatisch kruid met een frisse, verkoelende smaak dat wordt gebruikt in dranken, gerechten en snoep
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze voegde een paar blaadjes munt toe aan haar thee.
• De mojito werd gegarneerd met verse munt.
een eetbare noot van de walnotenboom met een harde, gerimpelde schaal
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze voegde gehakte walnoten toe aan de salade voor een krokante bite.
• Walnoten bevatten veel omega-3 vetzuren die goed zijn voor het hart.
een kleine ronde noot van de hazelaar, met een bruine harde schaal
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze roosterde een handvol hazelnoten in de koekenpan.
• De taart was gegarneerd met gehakte hazelnoten en pure chocolade.
een wilde plant met fijne brandharen die huidirritatie veroorzaken bij aanraking
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij liep per ongeluk door een veld met brandnetels en zijn benen begonnen te jeuken.
• Brandnetelthee staat bekend om zijn gezondheidsvoordelen.
een veelvoorkomende wilde plant met gele bloemen en een ronde pluizenbol
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het kind blies op de pluizenbol van de paardenbloem en keek hoe de zaadjes wegvlogen.
• De weide stond vol met gele paardenbloemen.