een zoete lekkernij gemaakt van cacaobonen, suiker en melk
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze houdt van pure chocolade met een hoog cacaogehalte.
• Het chocoladegebak in die patisserie is heerlijk.
kleine zoete lekkernijen zoals bonbons, winegums en lolly's, vaak gegeten als tussendoortje
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kinderen kregen na het sporten een zakje snoep.
• In de snoepwinkel kun je snoep per stuk kopen.
een gebak dat vaak wordt gegeten bij feestelijke gelegenheden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bakte een verjaardagstaart voor haar zoon.
• De chocoladetaart was heerlijk.
een klein, plat en knapperig gebakje gemaakt van bloem, suiker en boter
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bakte chocoladekoekjes voor de verjaardag van haar dochter.
• Bij de thee nam hij een koekje uit de trommel.
een zoete, dikke vloeistof die bijen maken van bloemennectar en die wordt gebruikt als zoetstof of broodbeleg
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze roert een lepel honing door haar thee.
• Lokale honing heeft vaak een andere smaak dan honing uit de supermarkt.
het vette, romige gedeelte van melk dat wordt gebruikt in de keuken en voor slagroom
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze voegde een scheutje room toe aan de soep voor een rijkere smaak.
• Voor dit recept heb je slagroom nodig om de room op te kloppen.
een zoete kristallijne stof gewonnen uit suikerriet of suikerbieten, gebruikt als zoetstof
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Doe je suiker in je koffie?
• Te veel suiker eten is slecht voor je tanden.
een zoet, aromatisch smaakstof afkomstig van de peulen van een tropische orchidee, veel gebruikt in gebak en desserts
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het recept vraagt om een theelepel vanille-extract.
• Vanille-ijs is een van de populairste smaken ter wereld.