Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Everyday
  3. Sports

Sports

Popular sports and game vocabulary

Basic
Everyday
voetbal
/ˈvutbɑl/

een teamsport waarbij twee ploegen een bal in het doel van de tegenstander proberen te schieten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij speelt voetbal bij een lokale club.

• De voetbalwedstrijd begint om acht uur.

basketbal
/ˈbɑskətbɑl/

teamsport waarbij twee ploegen proberen een bal door een hoog opgehangen ring te gooien

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij speelt drie keer per week basketbal bij een lokale club.

• Basketbal is een populaire sport in de Verenigde Staten.

tennis
/ˈtɛnɪs/

sport waarbij spelers met een racket een bal over een net slaan

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze heeft tennis gespeeld op Wimbledon.

• Elke zomer geeft hij tennislessen aan kinderen.

zwemmen
/ˈzʋɛmən/

Zich in water voortbewegen door gebruik te maken van het lichaam.

verb

Examples:

• Wij gaan morgen zwemmen in het meer.

• Kan jij goed zwemmen?

hardlopen
/ˈhɑrtloːpə(n)/

als sport of beweging in een snel tempo lopen

werkwoord

Examples:

• Ze gaat elke ochtend een halfuur hardlopen in het park.

• Hij traint voor een marathon door vijf keer per week te hardlopen.

volleybal
/ˈvɔliːbɑl/

teamsport waarbij twee ploegen een bal over een hoog net heen en weer slaan zonder hem de grond te laten raken

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Op het strand speelden ze een potje volleybal.

• Volleybal is een van de populairste sporten op de Olympische Spelen.

honkbal
/ˈhɔŋkbɑl/

teamsport waarbij slagmannen proberen een geslagen bal ver genoeg te sturen om alle honken te ronden en een punt te scoren

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Honkbal is de nationale sport van de Verenigde Staten.

• Nederland heeft een sterke honkbaltraditie in het Caribisch gebied.

golf
/ɣɔlf/

golfspel dat op een golfbaan gespeeld wordt; ook een golf in water of geluid

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij speelt elke week golf.

• De golven sloegen hoog op.

hockey
/ˈhɔki/

teamsport waarbij spelers met een stok een bal in het doel van de tegenstander proberen te slaan

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Nederland is een van de sterkste hockeylanden ter wereld.

• Ze speelt al tien jaar hockey bij een club in Amsterdam.

boksen
/ˈbɔksə(n)/

vechtsport waarbij twee tegenstanders elkaar met gebalde vuisten proberen te raken volgens vaste regels

werkwoord

Examples:

• Hij begon op zijn vijftiende met boksen bij een sportschool.

• Ze bokst twee keer per week om fit te blijven.

skiën
/ˈskiːən/

sport waarbij men op lange smalle planken over sneeuw of ijs glijdt

werkwoord

Examples:

• Het gezin gaat elk jaar in de kerstvakantie skiën in Oostenrijk.

• Ze leerde skiën toen ze acht jaar oud was.

fietsen
/ˈfitsən/

op een fiets rijden; ook het meervoud van 'fiets'

werkwoord

Examples:

• Ze fietst elke dag naar haar werk.

• Er staan veel fietsen voor de supermarkt.

surfen
/ˈsœrfə(n)/

sport waarbij men op een plank over golven rijdt

werkwoord

Examples:

• Hij leerde surfen tijdens zijn vakantie op Hawaï.

• Op de Zeeuwse kust kun je goed surfen als er hoge golven zijn.

stadion
/ˈstaːdiɔn/

een sportaccommodatie met tribunes voor toeschouwers

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze gingen naar het voetbalstadion.

• Het stadion heeft een capaciteit van vijftigduizend personen.

scheidsrechter
/ˈsxɛitsrɛxtər/

persoon die tijdens een sportwedstrijd de regels bewaakt en beslissingen neemt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De scheidsrechter floot voor een overtreding en gaf een gele kaart.

• Spelers mogen de beslissing van de scheidsrechter niet aanvechten.

coach
/ˈkoːɑx/

trainer of begeleider die iemand helpt bij het bereiken van doelen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De coach bereidde het team voor op de wedstrijd.

• Ze huurde een personal coach in voor haar loopbaanontwikkeling.

trofee
/troːˈfeː/

prijs in de vorm van een beker of beeld die wordt uitgereikt aan de winnaar van een wedstrijd

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het team hief de trofee omhoog nadat ze het kampioenschap hadden gewonnen.

• In de kast staat een grote trofee die hij won bij een tennistoernooi.

score
/ˈskoːrə/

het aantal behaalde punten in een spel, wedstrijd of test

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De eindstand score was 3-1.

• Ze haalde een hoge score op het examen.

team
/ˈteːɑm/

een groep mensen die samenwerken aan een gemeenschappelijk doel

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het team werkt goed samen.

• Ze is lid van een voetbalteam.

wedstrijd
/ˈʋɛdstrɛit/

een competitie waarbij deelnemers strijden om de winst

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze kijkt graag naar voetbalwedstrijden.

• Het team heeft de wedstrijd gewonnen.