een teamsport waarbij twee ploegen een bal in het doel van de tegenstander proberen te schieten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij speelt voetbal bij een lokale club.
• De voetbalwedstrijd begint om acht uur.
teamsport waarbij twee ploegen proberen een bal door een hoog opgehangen ring te gooien
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij speelt drie keer per week basketbal bij een lokale club.
• Basketbal is een populaire sport in de Verenigde Staten.
sport waarbij spelers met een racket een bal over een net slaan
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft tennis gespeeld op Wimbledon.
• Elke zomer geeft hij tennislessen aan kinderen.
Zich in water voortbewegen door gebruik te maken van het lichaam.
verb
Examples:
• Wij gaan morgen zwemmen in het meer.
• Kan jij goed zwemmen?
als sport of beweging in een snel tempo lopen
werkwoord
Examples:
• Ze gaat elke ochtend een halfuur hardlopen in het park.
• Hij traint voor een marathon door vijf keer per week te hardlopen.
teamsport waarbij twee ploegen een bal over een hoog net heen en weer slaan zonder hem de grond te laten raken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Op het strand speelden ze een potje volleybal.
• Volleybal is een van de populairste sporten op de Olympische Spelen.
teamsport waarbij slagmannen proberen een geslagen bal ver genoeg te sturen om alle honken te ronden en een punt te scoren
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Honkbal is de nationale sport van de Verenigde Staten.
• Nederland heeft een sterke honkbaltraditie in het Caribisch gebied.
golfspel dat op een golfbaan gespeeld wordt; ook een golf in water of geluid
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij speelt elke week golf.
• De golven sloegen hoog op.
teamsport waarbij spelers met een stok een bal in het doel van de tegenstander proberen te slaan
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Nederland is een van de sterkste hockeylanden ter wereld.
• Ze speelt al tien jaar hockey bij een club in Amsterdam.
vechtsport waarbij twee tegenstanders elkaar met gebalde vuisten proberen te raken volgens vaste regels
werkwoord
Examples:
• Hij begon op zijn vijftiende met boksen bij een sportschool.
• Ze bokst twee keer per week om fit te blijven.
sport waarbij men op lange smalle planken over sneeuw of ijs glijdt
werkwoord
Examples:
• Het gezin gaat elk jaar in de kerstvakantie skiën in Oostenrijk.
• Ze leerde skiën toen ze acht jaar oud was.
op een fiets rijden; ook het meervoud van 'fiets'
werkwoord
Examples:
• Ze fietst elke dag naar haar werk.
• Er staan veel fietsen voor de supermarkt.
sport waarbij men op een plank over golven rijdt
werkwoord
Examples:
• Hij leerde surfen tijdens zijn vakantie op Hawaï.
• Op de Zeeuwse kust kun je goed surfen als er hoge golven zijn.
een sportaccommodatie met tribunes voor toeschouwers
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gingen naar het voetbalstadion.
• Het stadion heeft een capaciteit van vijftigduizend personen.
persoon die tijdens een sportwedstrijd de regels bewaakt en beslissingen neemt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De scheidsrechter floot voor een overtreding en gaf een gele kaart.
• Spelers mogen de beslissing van de scheidsrechter niet aanvechten.
trainer of begeleider die iemand helpt bij het bereiken van doelen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De coach bereidde het team voor op de wedstrijd.
• Ze huurde een personal coach in voor haar loopbaanontwikkeling.
prijs in de vorm van een beker of beeld die wordt uitgereikt aan de winnaar van een wedstrijd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het team hief de trofee omhoog nadat ze het kampioenschap hadden gewonnen.
• In de kast staat een grote trofee die hij won bij een tennistoernooi.
het aantal behaalde punten in een spel, wedstrijd of test
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De eindstand score was 3-1.
• Ze haalde een hoge score op het examen.
een groep mensen die samenwerken aan een gemeenschappelijk doel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het team werkt goed samen.
• Ze is lid van een voetbalteam.
een competitie waarbij deelnemers strijden om de winst
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze kijkt graag naar voetbalwedstrijden.
• Het team heeft de wedstrijd gewonnen.