Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Food
  3. Spices

Spices

Common spices used in cooking

Basic
Food
zout
/zʌut/

een wit kristallijn mineraal dat gebruikt wordt om voedsel op smaak te brengen en te conserveren

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Doe niet te veel zout in de soep.

• Zout is een essentieel ingrediënt in bijna elke keuken.

peper
/ˈpeːpər/

een grote, holle vruchtgroente in rood, geel of groen die rauw of gebakken gegeten wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze sneed een rode peper in reepjes voor de wokschotel.

• De gevulde paprika's stonden al in de oven.

gember
/ˈɣɛmbər/

een scherpe, aromatische wortel die als specerij of kruid in de keuken wordt gebruikt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze raspt verse gember in de roerbak voor extra smaak.

• Gemberthee is goed bij een verkoudheid.

kurkuma
/ˈkʏrkumaː/

een felgele specerij gemalen van de wortel van de kurkumaplant, gebruikt in curry's en andere gerechten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Kurkuma geeft rijst een mooie gele kleur.

• Ze voegde een theelepel kurkuma toe aan de linzensoep.

kaneel
/kaːˈneːl/

een zoete, warme specerij gemaakt van de bast van de kaneelboom, gebruikt in zoet en hartig eten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze bestrooit haar appeltaart altijd met kaneel en suiker.

• Een snufje kaneel maakt de havermout veel lekkerder.

paprika
/ˈpɑprikaː/

een holle vruchtgroente in rood, geel of groen die rauw of gekookt gegeten wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze sneed de paprika in reepjes voor de roerbak.

• Een rode paprika is zoeter dan een groene.

komijn
/koːˈmɛin/

een specerij met een warme, aardse smaak, afkomstig van de zaden van de komijnplant

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Komijn is een essentieel ingrediënt in veel Midden-Oosterse gerechten.

• Ze roosterde de komijnzaadjes even in een droge pan voor extra aroma.

knoflook
/ˈknɔfloːk/

een bolgewas met een sterke, kenmerkende geur dat als smaakmaker in de keuken wordt gebruikt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij perste twee teentjes knoflook uit voor de saus.

• De pasta smaakt heerlijk met olijfolie en knoflook.

ui
/œy/

een bolgewas met een scherpe geur en smaak dat veel gebruikt wordt als smaakmaker in gerechten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze bakte de ui in boter totdat hij glazig was.

• Zonder ui smaakt de soep veel minder lekker.