een medewerker in een winkel die de kassa bedient en betalingen verwerkt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kassier scande alle artikelen snel en vriendelijk.
• Ze vroeg de kassier of ze de bon mee wilde hebben.
een bewijsstuk van een aankoop waarop de gekochte artikelen en het betaalde bedrag staan vermeld
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Bewaar je bon als je het product wilt ruilen.
• Ze vroeg om de bon zodat ze de uitgaven kon declareren.
een natuurlijke stof gemaakt van de vezels van de katoenplant, veel gebruikt voor kleding
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Dit t-shirt is gemaakt van honderd procent katoen.
• Katoen voelt zacht aan en is prettig om te dragen in warm weer.
eerste persoon enkelvoud of gebiedende wijs van leren; verwerft kennis of vaardigheid
werkwoord
Examples:
• Ik leer nu een nieuwe taal.
• Leer van je fouten!
de kant of richting ten opzichte van een middelpunt of ander referentiepunt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij stond aan mijn zijde tijdens de ceremonie.
• Aan beide zijden van de weg stonden bomen.
een glanzende, fijne stof gemaakt van draden die door zijderupsen worden geproduceerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De jurk is gemaakt van zuivere zijde.
• Zijde voelt heel zacht aan.
Een vermindering van de standaardprijs van een product of dienst.
noun
Examples:
• Ze kreeg een grote korting op haar nieuwe auto.
• Tijdens de uitverkoop zijn er veel producten met korting beschikbaar.
een afmeting of grootte; ook een kameraad of vriend
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Welke maat heeft u?
• Hey maat, hoe gaat het?
een kleine afgesloten ruimte in een kledingwinkel waar je kleding kunt passen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze nam drie jurken mee naar de paskamer om ze te proberen.
• Er stond een lange rij voor de paskamers tijdens de uitverkoop.
handelsnaam of label van een product of bedrijf; ook een teken of kenteken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Welk merk auto rijd jij?
• Dit is een bekend merk.
fijne deeltjes die zich op oppervlakken afzetten; ook materiaal of materie in algemene zin
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er ligt veel stof op de meubels.
• Ze maakten stof voor de nieuwe jurk.
een sluiting van twee rijen tandjes die in elkaar grijpen, gebruikt om kleding of tassen te sluiten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De rits van zijn jas was kapot gegaan.
• Ze ritste haar rugzak dicht voordat ze het huis uit ging.
een klein rond voorwerp dat door een knoopsgat wordt gestoken om kleding te sluiten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er zat een knoop los aan zijn overhemd.
• Ze naaide een nieuwe knoop aan de jas.
draagbare houder of tas; ook vulgair als scheldwoord voor een onaangenaam persoon
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Stop het in je zak.
• Wat een zak is die man.
het omgeslagen of rechtopstaande gedeelte van een kledingstuk rondom de nek
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij sloeg de kraag van zijn jas omhoog tegen de koude wind.
• Het shirt heeft een hoge kraag die de nek bedekt.
het deel van een kledingstuk dat de arm bedekt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij rolde zijn mouwen op voordat hij met koken begon.
• De jurk heeft korte mouwen die tot de elleboog reiken.
Inzoomen of uitzoomen met een camera; ook: het videovergaderprogramma
werkwoord
Examples:
• Ze zoomden in op het kleine insect.
• Ze vergaderden via Zoom.
een regelmatige herhaling van vormen, kleuren of gedragingen; ook een model of sjabloon
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het behang heeft een mooi bloemenpatroon.
• Hij zag een patroon in het gedrag van de dader.
een langwerpige band of lijn van een andere kleur in een stof of patroon
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het shirt heeft verticale blauwe en witte strepen.
• De marine heeft een uniform met een goudkleurige streep op de mouw.
een groot meubelstuk met deuren en planken om kleding in op te bergen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze hing haar jurken netjes op hangers in de kledingkast.
• De kledingkast in de slaapkamer is te klein voor al hun kleding.
een modeartikel zoals een tas, riem of sieraad dat een outfit aanvult
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Een sjaal is een veelzijdig accessoire dat bij veel outfits past.
• Ze koos een gouden ketting als accessoire bij haar zwarte jurk.