Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Everyday
  3. Shopping for Clothes

Shopping for Clothes

Shopping and fashion vocabulary

Intermediate
Everyday
maat
/maːt/

een afmeting of grootte; ook een kameraad of vriend

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Welke maat heeft u?

• Hey maat, hoe gaat het?

paskamer
/ˈpɑskaːmər/

een kleine afgesloten ruimte in een kledingwinkel waar je kleding kunt passen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze nam drie jurken mee naar de paskamer om ze te proberen.

• Er stond een lange rij voor de paskamers tijdens de uitverkoop.

korting
/ˈkɔrtɪŋ/

Een vermindering van de standaardprijs van een product of dienst.

noun

Examples:

• Ze kreeg een grote korting op haar nieuwe auto.

• Tijdens de uitverkoop zijn er veel producten met korting beschikbaar.

merk
/mɛrk/

handelsnaam of label van een product of bedrijf; ook een teken of kenteken

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Welk merk auto rijd jij?

• Dit is een bekend merk.

stof
/stɔf/

fijne deeltjes die zich op oppervlakken afzetten; ook materiaal of materie in algemene zin

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Er ligt veel stof op de meubels.

• Ze maakten stof voor de nieuwe jurk.

katoen
/kɑˈtun/

een natuurlijke stof gemaakt van de vezels van de katoenplant, veel gebruikt voor kleding

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Dit t-shirt is gemaakt van honderd procent katoen.

• Katoen voelt zacht aan en is prettig om te dragen in warm weer.

leer
/leːr/

eerste persoon enkelvoud of gebiedende wijs van leren; verwerft kennis of vaardigheid

werkwoord

Examples:

• Ik leer nu een nieuwe taal.

• Leer van je fouten!

zijde
/ˈzɛidə/

de kant of richting ten opzichte van een middelpunt of ander referentiepunt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij stond aan mijn zijde tijdens de ceremonie.

• Aan beide zijden van de weg stonden bomen.

een glanzende, fijne stof gemaakt van draden die door zijderupsen worden geproduceerd

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De jurk is gemaakt van zuivere zijde.

• Zijde voelt heel zacht aan.

rits
/rɪts/

een sluiting van twee rijen tandjes die in elkaar grijpen, gebruikt om kleding of tassen te sluiten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De rits van zijn jas was kapot gegaan.

• Ze ritste haar rugzak dicht voordat ze het huis uit ging.

knoop
/knoːp/

een klein rond voorwerp dat door een knoopsgat wordt gestoken om kleding te sluiten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Er zat een knoop los aan zijn overhemd.

• Ze naaide een nieuwe knoop aan de jas.

zak
/zɑk/

draagbare houder of tas; ook vulgair als scheldwoord voor een onaangenaam persoon

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Stop het in je zak.

• Wat een zak is die man.

kraag
/kraːɣ/

het omgeslagen of rechtopstaande gedeelte van een kledingstuk rondom de nek

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij sloeg de kraag van zijn jas omhoog tegen de koude wind.

• Het shirt heeft een hoge kraag die de nek bedekt.

mouw
/maʊ/

het deel van een kledingstuk dat de arm bedekt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij rolde zijn mouwen op voordat hij met koken begon.

• De jurk heeft korte mouwen die tot de elleboog reiken.

zoom
/zuːm/

Inzoomen of uitzoomen met een camera; ook: het videovergaderprogramma

werkwoord

Examples:

• Ze zoomden in op het kleine insect.

• Ze vergaderden via Zoom.

patroon
/ˈpɑtroːn/

een regelmatige herhaling van vormen, kleuren of gedragingen; ook een model of sjabloon

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het behang heeft een mooi bloemenpatroon.

• Hij zag een patroon in het gedrag van de dader.

streep
/streːp/

een langwerpige band of lijn van een andere kleur in een stof of patroon

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het shirt heeft verticale blauwe en witte strepen.

• De marine heeft een uniform met een goudkleurige streep op de mouw.

bon
/bɔn/

een bewijsstuk van een aankoop waarop de gekochte artikelen en het betaalde bedrag staan vermeld

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Bewaar je bon als je het product wilt ruilen.

• Ze vroeg om de bon zodat ze de uitgaven kon declareren.

kassier
/kɑˈsir/

een medewerker in een winkel die de kassa bedient en betalingen verwerkt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De kassier scande alle artikelen snel en vriendelijk.

• Ze vroeg de kassier of ze de bon mee wilde hebben.

kledingkast
/ˈkleːdɪŋkɑst/

een groot meubelstuk met deuren en planken om kleding in op te bergen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze hing haar jurken netjes op hangers in de kledingkast.

• De kledingkast in de slaapkamer is te klein voor al hun kleding.

accessoire
/ˌɑksɛˈswaːrə/

een modeartikel zoals een tas, riem of sieraad dat een outfit aanvult

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Een sjaal is een veelzijdig accessoire dat bij veel outfits past.

• Ze koos een gouden ketting als accessoire bij haar zwarte jurk.