Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Nature
  3. Seasons & Months

Seasons & Months

Seasons, months, and calendar terms

Basic
Nature
lente
/ˈlɛntə/

het seizoen tussen winter en zomer, gekenmerkt door warmer worden en bloesem

zelfstandig naamwoord

Examples:

• In de lente bloeien de tulpen.

• Ze houdt het meest van de lente.

zomer
/ˈzoːmər/

het warmste seizoen van het jaar, tussen lente en herfst

zelfstandig naamwoord

Examples:

• In de zomer gaan ze naar het strand.

• De zomer van dit jaar was uitzonderlijk warm.

herfst
/hɛrfst/

het seizoen tussen zomer en winter, gekenmerkt door vallende bladeren en koelere temperaturen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• In de herfst kleuren de bladeren rood en geel.

• De herfst begint officieel op 23 september.

winter
/ˈʋɪntər/

het koudste seizoen van het jaar

zelfstandig naamwoord

Examples:

• In de winter sneeuwt het soms in Nederland.

• Ze houdt niet van de koude winter.

januari
/ˈjaːnyːaːri/

de eerste maand van het jaar in de gregoriaanse kalender

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Op 1 januari is het Nieuwjaarsdag.

• In januari is het vaak koud en donker.

februari
/ˈfɛbryːaːri/

de tweede maand van het jaar in de gregoriaanse kalender, met 28 of 29 dagen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Valentijnsdag is op 14 februari.

• Februari heeft 28 of 29 dagen.

maart
/maːrt/

de derde maand van het jaar in de gregoriaanse kalender

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De lente begint in maart.

• Ze is geboren op 15 maart.

april
/ˈɑprɪl/

de vierde maand van het jaar in de gregoriaanse kalender

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het regent veel in april.

• Op 1 april is het Aprilgrap-dag.

mei
/mɛi/

de vijfde maand van het jaar

zelfstandig naamwoord

Examples:

• In mei bloeien de bloemen.

• Ze is geboren in mei.

juni
/ˈjyːni/

de zesde maand van het jaar

zelfstandig naamwoord

Examples:

• In juni beginnen de zomervakantie.

• Ze trouwen in juni.

juli
/ˈjyːli/

de zevende maand van het jaar

zelfstandig naamwoord

Examples:

• In juli is het vakantieseizoen.

• Ze is geboren op 15 juli.

augustus
/ˈʌuxʏstʏs/

de achtste maand van het jaar in de gregoriaanse kalender

zelfstandig naamwoord

Examples:

• In augustus is het vaak erg warm.

• Ze gaan in augustus op vakantie.

september
/ˈsɛptɛmbər/

de negende maand van het jaar in de gregoriaanse kalender

zelfstandig naamwoord

Examples:

• School begint weer in september.

• Ze is in september jarig.

oktober
/ˈɔktoːbər/

de tiende maand van het jaar in de gregoriaanse kalender

zelfstandig naamwoord

Examples:

• In oktober vallen de bladeren van de bomen.

• Ze viert haar verjaardag in oktober.

november
/ˈnoːvɛmbər/

de elfde maand van het jaar in de gregoriaanse kalender

zelfstandig naamwoord

Examples:

• In november wordt het snel donker.

• Sint-Maarten wordt gevierd op 11 november.

december
/ˈdeːsɛmbər/

de twaalfde en laatste maand van het jaar in de gregoriaanse kalender

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Kerstmis is in december.

• In december zijn de dagen het kortst.