Seasons, months, and calendar terms
16 wordsDutch (Netherlands)

/ˈlɛntə/
het seizoen tussen winter en zomer, gekenmerkt door warmer worden en bloesem
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈzoːmər/
het warmste seizoen van het jaar, tussen lente en herfst
zelfstandig naamwoord
Examples
/hɛrfst/
het seizoen tussen zomer en winter, gekenmerkt door vallende bladeren en koelere temperaturen
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈʋɪntər/
het koudste seizoen van het jaar
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈjaːnyːaːri/
de eerste maand van het jaar in de gregoriaanse kalender
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈfɛbryːaːri/
de tweede maand van het jaar in de gregoriaanse kalender, met 28 of 29 dagen
zelfstandig naamwoord
Examples
/maːrt/
de derde maand van het jaar in de gregoriaanse kalender
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈɑprɪl/
de vierde maand van het jaar in de gregoriaanse kalender
zelfstandig naamwoord
Examples
/mɛi/
de vijfde maand van het jaar
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈjyːni/
de zesde maand van het jaar
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈjyːli/
de zevende maand van het jaar
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈʌuxʏstʏs/
de achtste maand van het jaar in de gregoriaanse kalender
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈsɛptɛmbər/
de negende maand van het jaar in de gregoriaanse kalender
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈɔktoːbər/
de tiende maand van het jaar in de gregoriaanse kalender
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈnoːvɛmbər/
de elfde maand van het jaar in de gregoriaanse kalender
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈdeːsɛmbər/
de twaalfde en laatste maand van het jaar in de gregoriaanse kalender
zelfstandig naamwoord
Examples