een koudbloedig waterlevend werveldie; ook: als voedsel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze eten elke vrijdag vis.
• De kinderen voerden brood aan de vissen.
een grote vleesachtige vis met roze tot oranje vlees die leeft in zee en rivieren en populair is als eetvis
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bereidt de zalm in de oven met citroen en kruiden.
• Gerookte zalm is een populair beleg op een broodje.
een grote zeevis met stevig, donker vlees die vers, gebakken of als conserve in blik wordt gegeten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze maakte een salade met tonijn uit blik en mais.
• Verse tonijn wordt vaak als sashimi geserveerd in Japanse restaurants.
een klein schaaldier met een gebogen lichaam en lange voelsprieten dat wordt gegeten als zeevrucht
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bestelde een garnalensalade als voorgerecht.
• Hollandse garnalen worden traditioneel gepeld en op brood gegeten.
een groot schaaldier met een hard pantser, twee grote scharen en een stevige staart, beschouwd als een delicatesse
zelfstandig naamwoord
Examples:
• In het restaurant bestelden ze kreeft als hoofdgerecht.
• Kreeft is een van de duurste zeevruchten die je kunt kopen.
een schaaldier met een breed, plat pantser, vier paar poten en twee scharen dat in zee of op het strand leeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kinderen vingen een krab in een kuiltje op het strand.
• Krab wordt vaak gebruikt in sushi en zeevruchtensoep.