Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Food
  3. Root & Exotic Vegetables

Root & Exotic Vegetables

More vegetables: root, leafy and exotic

14 words · Dutch (Netherlands)

Difficulty
Intermediate
Topic
Food
Root & Exotic Vegetables

spinazie

/spɪˈnaːzi/

  1. een bladgroente met donkergroene, zachte bladeren die rauw of gekookt gegeten wordt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze maakte een salade met verse spinazie en feta.
    • De spinazie werd gekookt en geserveerd bij de zalm.

courgette

/kurˈʒɛtə/

  1. een langwerpige groene zomergroente uit de pompoenfamilie

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze sneed de courgette in plakjes voor de roerbak.
    • De courgette uit de tuin was groot en sappig.

aubergine

/oːbərˈʒiːnə/

  1. een paarse, glanzende vrucht die als groente wordt gegeten

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De aubergine wordt veel gebruikt in de Mediterrane keuken.
    • Hij bakte de aubergine in olijfolie tot hij zacht was.

bloemkool

/ˈblumkoːl/

  1. een witte koolsoort met een compacte kop van kleine bloemknopjes

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze maakte een romige soep van bloemkool en kaas.
    • De bloemkool werd gegrild met kruiden en olijfolie.

asperge

/ɑsˈpɛrʒə/

  1. een langwerpige groente met een punt aan de top, verkrijgbaar in groen en wit

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • In het voorjaar eten we graag witte asperges met ham en ei.
    • De groene asperges werden gegrild op de barbecue.

rode biet

/ˈroːdə bit/

  1. donkerrode wortelgroente die veel in salades en soepen wordt gebruikt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze kookte rode bieten voor de salade.
    • Rode biet geeft een mooie kleur aan het gerecht.

artisjok

/ˈɑrtisˌjɔk/

  1. een distelachtige groente waarvan het vlesige hart en de bladbases eetbaar zijn

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze dikte de artisjok in citroenboter om het hart te eten.
    • Artisjokken worden vaak gevuld met kruiden en broodkruimels.

boerenkool

/ˈbuːrəŋkoːl/

  1. een donkergroene bladgroente met gekrulde of gebobbelde bladeren die veel vitaminen bevat

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Boerenkool met worst is een traditioneel Nederlands wintergerecht.
    • Ze voegde gehakte boerenkool toe aan de smoothie.

prei

/prɛi̯/

  1. een langwerpige groente met een witte stengel en groene bladeren die verwant is aan de ui

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze sneed de prei in ringen voor de soep.
    • Prei en aardappel zijn de basis van een klassieke preisoeop.

radijs

/raːˈdɛis/

  1. een kleine, ronde wortelgroente met een rode schil en wit vruchtvlees die een pittige smaak heeft

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij sneed een paar radijsjes in plakjes voor de salade.
    • Radijs smaakt het lekkerst als hij vers uit de tuin komt.

pompoen

/pɔmˈpun/

  1. een grote, ronde oranje vrucht die in de herfst wordt geoogst

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze maakte een heerlijke pompoensoep voor het avondeten.
    • Met Halloween snijden kinderen gezichten in een pompoen.

raap

/raːp/

  1. een ronde wortelgroente met wit of paars-wit vruchtvlees die gekookt of gestoofd wordt gegeten

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De boer haalde rapen uit de grond voor het winterse stoofpotje.
    • Raap heeft een milde, licht bittere smaak die goed past bij vlees.

venkel

/ˈvɛŋkəl/

  1. een knolvormige groente met veervormig loof en een zoete anijsachtige smaak die rauw of gebakken gegeten wordt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze sneed de venkelknol in dunne plakjes voor de salade.
    • Geroosterde venkel smaakt heerlijk bij vis.

linze

/ˈlɪnzə/

  1. een kleine, platte peulvrucht die in veel soorten en kleuren voorkomt en gebruikt wordt in soepen en stoofschotels

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze kookte rode linzen voor een stevige lentilsoep.
    • Linzen zijn rijk aan eiwitten en een goede vervanger voor vlees.