More vegetables: root, leafy and exotic
14 wordsDutch (Netherlands)

/spɪˈnaːzi/
een bladgroente met donkergroene, zachte bladeren die rauw of gekookt gegeten wordt
zelfstandig naamwoord
Examples
/kurˈʒɛtə/
een langwerpige groene zomergroente uit de pompoenfamilie
zelfstandig naamwoord
Examples
/oːbərˈʒiːnə/
een paarse, glanzende vrucht die als groente wordt gegeten
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈblumkoːl/
een witte koolsoort met een compacte kop van kleine bloemknopjes
zelfstandig naamwoord
Examples
/ɑsˈpɛrʒə/
een langwerpige groente met een punt aan de top, verkrijgbaar in groen en wit
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈroːdə bit/
donkerrode wortelgroente die veel in salades en soepen wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈɑrtisˌjɔk/
een distelachtige groente waarvan het vlesige hart en de bladbases eetbaar zijn
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈbuːrəŋkoːl/
een donkergroene bladgroente met gekrulde of gebobbelde bladeren die veel vitaminen bevat
zelfstandig naamwoord
Examples
/prɛi̯/
een langwerpige groente met een witte stengel en groene bladeren die verwant is aan de ui
zelfstandig naamwoord
Examples
/raːˈdɛis/
een kleine, ronde wortelgroente met een rode schil en wit vruchtvlees die een pittige smaak heeft
zelfstandig naamwoord
Examples
/pɔmˈpun/
een grote, ronde oranje vrucht die in de herfst wordt geoogst
zelfstandig naamwoord
Examples
/raːp/
een ronde wortelgroente met wit of paars-wit vruchtvlees die gekookt of gestoofd wordt gegeten
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈvɛŋkəl/
een knolvormige groente met veervormig loof en een zoete anijsachtige smaak die rauw of gebakken gegeten wordt
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈlɪnzə/
een kleine, platte peulvrucht die in veel soorten en kleuren voorkomt en gebruikt wordt in soepen en stoofschotels
zelfstandig naamwoord
Examples