Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Everyday
  3. Pets

Pets

Common household pets and pet care

Basic
Everyday
hond
/hɔnt/

een gedomesticeerd zoogdier dat als huisdier gehouden wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze heeft een grote hond.

• De hond blaft naar de postbode.

kat
/kɑt/

Een klein, vaak huiselijk, roofdier dat miauwt.

noun

Examples:

• De kat zit in de vensterbank te slapen.

• Mijn kat jaagt graag op muizen.

vis
/vɪs/

een koudbloedig waterlevend werveldie; ook: als voedsel

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze eten elke vrijdag vis.

• De kinderen voerden brood aan de vissen.

hamster
/ˈhɑmstər/

een klein knaagdier met bolle wangen dat populair is als huisdier

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De hamster rende de hele nacht in zijn loopwiel.

• Ze kochten een hamster voor hun dochter als eerste huisdier.

konijn
/koːˈnɛin/

een zacht zoogdier met lange oren dat als huisdier of in het wild leeft

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het konijn zat rustig in zijn hok te knabbelen aan wortel.

• Ze liet het konijn los in de tuin om gras te eten.

papegaai
/ˌpɑpəˈɣaːi/

een kleurrijke tropische vogel die menselijke spraak kan nabootsen en als huisdier gehouden wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De papegaai herhaalde elke zin die hij hoorde.

• Ze leerde haar papegaai zijn naam te zeggen.

schildpad
/ˈsxɪldˌpɑt/

een reptiel met een harde schaal op zijn rug dat op het land of in het water leeft

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De schildpad trok zijn kop in de schaal toen hij schrok.

• Ze heeft een kleine schildpad in een terrarium wonen.

cavia
/ˈkaːviaː/

een klein, rond knaagdier uit Zuid-Amerika dat populair is als huisdier voor kinderen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De cavia piepte vrolijk toen ze hem eten gaf.

• Ze hield twee cavia's in een ruim hok in de tuin.

katje
/ˈkɑtjə/

een jong katje dat nog niet volgroeid is

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het katje speelde de hele dag met een bal wol.

• Ze vond een verlaten katje op straat en nam het mee naar huis.

puppy
/ˈpʏpi/

een jonge hond die nog in de groei is

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De puppy beet in zijn schoen en rende ermee weg.

• Ze trainden de puppy elke dag zodat hij goed gehoorzaamde.

goudvis
/ˈɣɑutˌvɪs/

een kleine oranje siervis die in een aquarium of vijver gehouden wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De goudvis zwom rustig rondjes in zijn glazen kom.

• Hij won een goudvis op de kermis en zette hem in een aquarium.

kanarie
/kaːˈnaːri/

een klein geel zangvogeltje dat als huisdier in een kooi gehouden wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De kanarie zong elke ochtend vrolijk in zijn kooi bij het raam.

• Ze kocht een kanarie omdat ze het gezang in huis wilde hebben.

fret
/frɛt/

een smal, langwerpig roofdier dat als huisdier gehouden wordt en verwant is aan de wezel

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De fret kronkelde door elk gat in het huis op zoek naar speelgoed.

• Hij liet zijn fret vrij rondlopen in de woonkamer.

hagedis
/ˈhaːɣəˌdɪs/

een schubbenrepitiel met vier poten en een lange staart dat in warm klimaat leeft

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De hagedis lag in de zon op een warme steen.

• Hij hield een baardagaam, een grote hagedis, als huisdier.

slang
/slɑŋ/

een langwerpig reptiel zonder poten dat zich voortbeweegt door te kronkelen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De slang gleed geruisloos door het hoge gras.

• In de tropen leven veel giftige slangen.

aquarium
/aːˈkwaːriˌʏm/

een glazen bak gevuld met water waarin vissen en andere waterdiertjes gehouden worden

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het aquarium stond in de woonkamer en gaf een rustgevend effect.

• Ze reinigde het aquarium elke maand om het water schoon te houden.

riem
/rim/

een strook leer of stof die om de taille wordt gedragen om een broek op zijn plek te houden

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij droeg een leren riem bij zijn spijkerbroek.

• Ze kocht een nieuwe riem omdat haar broek te los zat.

halsband
/ˈhɑlsˌbɑnt/

een band die om de nek van een huisdier gedragen wordt, vaak met een naamplaatje of voor het bevestigen van een riem

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze hing een naamplaatje aan de halsband van de kat.

• De halsband zat te strak en ze maakte hem losser.

kooi
/koːi/

een afgesloten ruimte van tralies of gaas waarin dieren gehouden worden

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De parkiet zat tevreden te zingen in zijn kooi bij het raam.

• Ze reinigde de kooi van het konijn elke week met een schoonmaakmiddel.

dierenarts
/ˈdiːrənˌɑrts/

een arts die gespecialiseerd is in de gezondheidszorg en behandeling van dieren

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze bracht de zieke kat naar de dierenarts voor een onderzoek.

• De dierenarts gaf het puppyeen vaccinatie en een vlooienbehandeling.