een strook leer of stof die om de taille wordt gedragen om een broek op zijn plek te houden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij droeg een leren riem bij zijn spijkerbroek.
• Ze kocht een nieuwe riem omdat haar broek te los zat.
een arts die gespecialiseerd is in de gezondheidszorg en behandeling van dieren
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bracht de zieke kat naar de dierenarts voor een onderzoek.
• De dierenarts gaf het puppyeen vaccinatie en een vlooienbehandeling.
een langwerpig reptiel zonder poten dat zich voortbeweegt door te kronkelen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De slang gleed geruisloos door het hoge gras.
• In de tropen leven veel giftige slangen.
een koudbloedig waterlevend werveldie; ook: als voedsel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze eten elke vrijdag vis.
• De kinderen voerden brood aan de vissen.
een gedomesticeerd zoogdier dat als huisdier gehouden wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft een grote hond.
• De hond blaft naar de postbode.
Een klein, vaak huiselijk, roofdier dat miauwt.
noun
Examples:
• De kat zit in de vensterbank te slapen.
• Mijn kat jaagt graag op muizen.
een klein knaagdier met bolle wangen dat populair is als huisdier
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De hamster rende de hele nacht in zijn loopwiel.
• Ze kochten een hamster voor hun dochter als eerste huisdier.
een zacht zoogdier met lange oren dat als huisdier of in het wild leeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het konijn zat rustig in zijn hok te knabbelen aan wortel.
• Ze liet het konijn los in de tuin om gras te eten.
een kleurrijke tropische vogel die menselijke spraak kan nabootsen en als huisdier gehouden wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De papegaai herhaalde elke zin die hij hoorde.
• Ze leerde haar papegaai zijn naam te zeggen.
een reptiel met een harde schaal op zijn rug dat op het land of in het water leeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De schildpad trok zijn kop in de schaal toen hij schrok.
• Ze heeft een kleine schildpad in een terrarium wonen.
een klein, rond knaagdier uit Zuid-Amerika dat populair is als huisdier voor kinderen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De cavia piepte vrolijk toen ze hem eten gaf.
• Ze hield twee cavia's in een ruim hok in de tuin.
een jong katje dat nog niet volgroeid is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het katje speelde de hele dag met een bal wol.
• Ze vond een verlaten katje op straat en nam het mee naar huis.
een jonge hond die nog in de groei is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De puppy beet in zijn schoen en rende ermee weg.
• Ze trainden de puppy elke dag zodat hij goed gehoorzaamde.
een kleine oranje siervis die in een aquarium of vijver gehouden wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De goudvis zwom rustig rondjes in zijn glazen kom.
• Hij won een goudvis op de kermis en zette hem in een aquarium.
een klein geel zangvogeltje dat als huisdier in een kooi gehouden wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kanarie zong elke ochtend vrolijk in zijn kooi bij het raam.
• Ze kocht een kanarie omdat ze het gezang in huis wilde hebben.
een smal, langwerpig roofdier dat als huisdier gehouden wordt en verwant is aan de wezel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De fret kronkelde door elk gat in het huis op zoek naar speelgoed.
• Hij liet zijn fret vrij rondlopen in de woonkamer.
een schubbenrepitiel met vier poten en een lange staart dat in warm klimaat leeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De hagedis lag in de zon op een warme steen.
• Hij hield een baardagaam, een grote hagedis, als huisdier.
een glazen bak gevuld met water waarin vissen en andere waterdiertjes gehouden worden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het aquarium stond in de woonkamer en gaf een rustgevend effect.
• Ze reinigde het aquarium elke maand om het water schoon te houden.
een band die om de nek van een huisdier gedragen wordt, vaak met een naamplaatje of voor het bevestigen van een riem
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze hing een naamplaatje aan de halsband van de kat.
• De halsband zat te strak en ze maakte hem losser.
een afgesloten ruimte van tralies of gaas waarin dieren gehouden worden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De parkiet zat tevreden te zingen in zijn kooi bij het raam.
• Ze reinigde de kooi van het konijn elke week met een schoonmaakmiddel.