de vaste periodieke beloning die een werknemer ontvangt voor zijn arbeid
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze onderhandelde over een hoger salaris.
• Zijn salaris wordt elke maand overgemaakt.
een raming of plan voor inkomsten en uitgaven voor een bepaalde periode
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het budget voor het project is vastgesteld op een miljoen euro.
• Ze moest zuinig leven met een beperkt budget.
geld dat iemand opzij heeft gezet en niet heeft uitgegeven
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gebruikte haar spaargeld om een reis naar Japan te betalen.
• Het is verstandig om elke maand een deel van je salaris als spaargeld opzij te zetten.
de verantwoordelijkheid voor iets negatiefs; ook: geld dat men verschuldigd is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het is zijn schuld dat het misging.
• Ze heeft veel schulden bij de bank.
een geldbedrag dat geleend wordt en later moet worden terugbetaald, vaak met rente
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze sloot een lening af bij de bank voor haar studie.
• De lening had een looptijd van vijf jaar.
een lening die wordt afgesloten om een woning te kopen, waarbij de woning als onderpand dient
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze sloten een hypotheek af om hun eerste huis te kunnen kopen.
• De maandelijkse aflossing van de hypotheek bedraagt achthonderd euro.
de betrokkenheid of nieuwsgierigheid voor iets
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze heeft interesse in kunst.
• Hij toont veel interesse in haar werk.
een verplichte financiële bijdrage die burgers en bedrijven aan de overheid betalen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij betaalt elk jaar inkomstenbelasting.
• De belasting op alcohol is hoog.
een document waarop staat welke goederen of diensten zijn geleverd en welk bedrag betaald moet worden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De aannemer stuurde een factuur voor de verbouwingswerkzaamheden.
• Bewaar de factuur zodat je die kunt indienen bij de belasting.
een bewijsstuk van een aankoop waarop de gekochte artikelen en het betaalde bedrag staan vermeld
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Bewaar je bon als je het product wilt ruilen.
• Ze vroeg om de bon zodat ze de uitgaven kon declareren.
een betaalpas waarmee je aankopen op krediet kunt doen en het bedrag later terugbetaalt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• In het buitenland is betalen met een creditcard vaak handiger dan contant geld.
• Ze betaalde de vliegtickets met haar creditcard en betaalde het saldo aan het einde van de maand terug.
fysiek geld in de vorm van munten en bankbiljetten, in tegenstelling tot elektronisch betalen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Sommige marktkramen accepteren alleen contant geld en geen pinbetalingen.
• Ze had geen contant geld meer bij zich en moest eerst naar de geldautomaat.
het inzetten van geld of middelen met als doel er in de toekomst financieel voordeel uit te halen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het kopen van aandelen is een populaire vorm van investering.
• De investering in zonnepanelen betaalt zich na een paar jaar terug.
een overeenkomst waarbij een verzekeraar financiële bescherming biedt tegen schade, verlies of andere risico's in ruil voor een premie
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Een zorgverzekering is in Nederland verplicht voor iedereen.
• Na het ongeluk deed hij een beroep op zijn autoverzekering.
een periodieke uitkering na pensionering; ook: de periode na het einde van het werkende leven
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gaat volgend jaar met pensioen.
• Hij ontvangt een goed pensioen.
bedrag dat betaald wordt voor het gebruik van een woning of voorwerp
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De huur is te hoog in Amsterdam.
• Ze betaalt 900 euro huur per maand.
een bedrag geld dat op een bankrekening wordt geplaatst
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij deed een storting van vijfhonderd euro op zijn spaarrekening.
• De storting werd dezelfde dag verwerkt door de bank.
het vastleggen van geluid of beeld; ook: het opnemen in een ziekenhuis of instelling
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De opname van het album duurde zes maanden.
• Na de operatie volgde een opname in het ziekenhuis.
het opnemen van geld van een bankrekening
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze deed een opname van tweehonderd euro bij de geldautomaat.
• De opname werd geblokkeerd omdat de rekening leeg was.
het teruggeven van betaald geld aan een klant of schuldeiser
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De winkel weigerde een terugbetaling voor het beschadigde product.
• Na de annulering ontving ze een volledige terugbetaling.
Een vermindering van de standaardprijs van een product of dienst.
noun
Examples:
• Ze kreeg een grote korting op haar nieuwe auto.
• Tijdens de uitverkoop zijn er veel producten met korting beschikbaar.