een graangewas met gele korrels op een kolf dat als groente of grondstof wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gooide een kolf maïs op de barbecue.
• De boer verbouwde maïs op zijn akker.
vlees of groenten garen in vet of droge hitte, in een pan of in de oven
werkwoord
Examples:
• Ze braadde de kip langzaam in de oven.
• Hij braadde de uien goudbruin in boter.
voedsel bereiden op een grillrooster boven vuur of hitte
werkwoord
Examples:
• In de zomer grillen we vaak vlees in de tuin.
• Ze grilde de courgette met wat olijfolie en zout.
eten op smaak brengen door er kruiden en specerijen aan toe te voegen
werkwoord
Examples:
• Ze kruidde het gehakt met knoflook en tijm.
• Vergeet niet het vlees goed te kruiden voor je het braadt.
de vlam en hitte die vrijkomen bij verbranding
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze stookten een vuur om zich te warmen.
• Het vuur verspreidde zich snel door het droge gras.
een vleesproduct van gehakt vlees met kruiden, gevuld in een darm of kunstmatige omhulling
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij legde een worst op de barbecue om te grillen.
• Ze kocht een rookworst bij de slager voor de erwtensoep.
een open vuur dat buiten wordt gemaakt, vaak bij het kamperen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• We zaten rond het kampvuur en zongen liedjes.
• Hij maakte een kampvuur om warm te blijven in de koude nacht.
gassen en fijne deeltjes die vrijkomen bij verbranding; ook verleden tijd van 'ruiken'
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er hing rook in de lucht.
• Ze rook de bloemen.
zwart materiaal dat overblijft na het verhitten van hout zonder zuurstof, gebruikt als brandstof voor de barbecue
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij gooide een paar briketten houtskool op de barbecue.
• Vlees gegrild op houtskool krijgt een heerlijk rokerige smaak.
gegrild vlees, traditioneel op een spies of draaispit bereid, afkomstig uit de Midden-Oosterse keuken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Na de film haalden ze een kebab bij het snackbarretje op de hoek.
• De kebab van lamsgehakt smaakte heerlijk met knoflooksaus.
een grill of rooster waarop voedsel boven open vuur of gloeiende kolen wordt bereid, of het evenement waarbij dit wordt gedaan
zelfstandig naamwoord
Examples:
• In de zomer staat de barbecue elke week in de tuin.
• We organiseren zaterdag een barbecue voor de hele familie.
een stuk rundvlees dat geschikt is om te bakken of te grillen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij bakt de biefstuk kort aan beide kanten zodat hij van binnen rosé blijft.
• Voor het diner kocht ze twee dikke biefstukken bij de slager.
een gekruide vloeistof waarin vlees, vis of groenten worden geweekt om smaak en malsheid te bevorderen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze laat het kippenvlees een nacht in een marinade van citroen en knoflook staan.
• Een goede marinade geeft de biefstuk veel meer smaak.
een keukengerei met twee armen waarmee je voedsel kunt vastpakken en verplaatsen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Gebruik de tang om het vlees op de barbecue om te draaien zonder je handen te branden.
• Ze pakte de salade met een tang op het bord.
een lange, dunne stok of metalen staaf waarop stukjes voedsel worden geregen voor het grillen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij regen afwisselend stukjes vlees en paprika aan de spies.
• De spiesen lagen al klaar op de barbecue.