
/ˈɣrɪlə(n)/
voedsel bereiden op een grillrooster boven vuur of hitte
werkwoord
Examples
/ˈbraːdə(n)/
vlees of groenten garen in vet of droge hitte, in een pan of in de oven
werkwoord
Examples
/vyːr/
de vlam en hitte die vrijkomen bij verbranding
zelfstandig naamwoord
Examples
/roːk/
gassen en fijne deeltjes die vrijkomen bij verbranding; ook verleden tijd van 'ruiken'
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈɦɑutskɔːl/
zwart materiaal dat overblijft na het verhitten van hout zonder zuurstof, gebruikt als brandstof voor de barbecue
zelfstandig naamwoord
Examples
/keːˈbɑb/
gegrild vlees, traditioneel op een spies of draaispit bereid, afkomstig uit de Midden-Oosterse keuken
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈbɑr.bə.kjuː/
een grill of rooster waarop voedsel boven open vuur of gloeiende kolen wordt bereid, of het evenement waarbij dit wordt gedaan
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈbif.stʏk/
een stuk rundvlees dat geschikt is om te bakken of te grillen
zelfstandig naamwoord
Examples
/vɔrst/
een vleesproduct van gehakt vlees met kruiden, gevuld in een darm of kunstmatige omhulling
zelfstandig naamwoord
Examples
/maˈɪs/
een graangewas met gele korrels op een kolf dat als groente of grondstof wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˌmɑ.riˈnɑ.də/
een gekruide vloeistof waarin vlees, vis of groenten worden geweekt om smaak en malsheid te bevorderen
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈkrœydə(n)/
eten op smaak brengen door er kruiden en specerijen aan toe te voegen
werkwoord
Examples
/tɑŋ/
een keukengerei met twee armen waarmee je voedsel kunt vastpakken en verplaatsen
zelfstandig naamwoord
Examples
/spis/
een lange, dunne stok of metalen staaf waarop stukjes voedsel worden geregen voor het grillen
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈkɑmpˌvyr/
een open vuur dat buiten wordt gemaakt, vaak bij het kamperen
zelfstandig naamwoord
Examples