Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Food
  3. Outdoor Cooking

Outdoor Cooking

Grilling and cooking outdoors

15 words · Dutch (Netherlands)

Difficulty
Intermediate
Topic
FoodNature
Outdoor Cooking

grillen

/ˈɣrɪlə(n)/

  1. voedsel bereiden op een grillrooster boven vuur of hitte

    werkwoord

    Examples

    • In de zomer grillen we vaak vlees in de tuin.
    • Ze grilde de courgette met wat olijfolie en zout.

braden

/ˈbraːdə(n)/

  1. vlees of groenten garen in vet of droge hitte, in een pan of in de oven

    werkwoord

    Examples

    • Ze braadde de kip langzaam in de oven.
    • Hij braadde de uien goudbruin in boter.

vuur

/vyːr/

  1. de vlam en hitte die vrijkomen bij verbranding

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze stookten een vuur om zich te warmen.
    • Het vuur verspreidde zich snel door het droge gras.

rook

/roːk/

  1. gassen en fijne deeltjes die vrijkomen bij verbranding; ook verleden tijd van 'ruiken'

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Er hing rook in de lucht.
    • Ze rook de bloemen.

houtskool

/ˈɦɑutskɔːl/

  1. zwart materiaal dat overblijft na het verhitten van hout zonder zuurstof, gebruikt als brandstof voor de barbecue

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij gooide een paar briketten houtskool op de barbecue.
    • Vlees gegrild op houtskool krijgt een heerlijk rokerige smaak.

kebab

/keːˈbɑb/

  1. gegrild vlees, traditioneel op een spies of draaispit bereid, afkomstig uit de Midden-Oosterse keuken

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Na de film haalden ze een kebab bij het snackbarretje op de hoek.
    • De kebab van lamsgehakt smaakte heerlijk met knoflooksaus.

barbecue

/ˈbɑr.bə.kjuː/

  1. een grill of rooster waarop voedsel boven open vuur of gloeiende kolen wordt bereid, of het evenement waarbij dit wordt gedaan

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • In de zomer staat de barbecue elke week in de tuin.
    • We organiseren zaterdag een barbecue voor de hele familie.

biefstuk

/ˈbif.stʏk/

  1. een stuk rundvlees dat geschikt is om te bakken of te grillen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij bakt de biefstuk kort aan beide kanten zodat hij van binnen rosé blijft.
    • Voor het diner kocht ze twee dikke biefstukken bij de slager.

worst

/vɔrst/

  1. een vleesproduct van gehakt vlees met kruiden, gevuld in een darm of kunstmatige omhulling

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij legde een worst op de barbecue om te grillen.
    • Ze kocht een rookworst bij de slager voor de erwtensoep.

maïs

/maˈɪs/

  1. een graangewas met gele korrels op een kolf dat als groente of grondstof wordt gebruikt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze gooide een kolf maïs op de barbecue.
    • De boer verbouwde maïs op zijn akker.

marinade

/ˌmɑ.riˈnɑ.də/

  1. een gekruide vloeistof waarin vlees, vis of groenten worden geweekt om smaak en malsheid te bevorderen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze laat het kippenvlees een nacht in een marinade van citroen en knoflook staan.
    • Een goede marinade geeft de biefstuk veel meer smaak.

kruiden

/ˈkrœydə(n)/

  1. eten op smaak brengen door er kruiden en specerijen aan toe te voegen

    werkwoord

    Examples

    • Ze kruidde het gehakt met knoflook en tijm.
    • Vergeet niet het vlees goed te kruiden voor je het braadt.

tang

/tɑŋ/

  1. een keukengerei met twee armen waarmee je voedsel kunt vastpakken en verplaatsen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Gebruik de tang om het vlees op de barbecue om te draaien zonder je handen te branden.
    • Ze pakte de salade met een tang op het bord.

spies

/spis/

  1. een lange, dunne stok of metalen staaf waarop stukjes voedsel worden geregen voor het grillen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij regen afwisselend stukjes vlees en paprika aan de spies.
    • De spiesen lagen al klaar op de barbecue.

kampvuur

/ˈkɑmpˌvyr/

  1. een open vuur dat buiten wordt gemaakt, vaak bij het kamperen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • We zaten rond het kampvuur en zongen liedjes.
    • Hij maakte een kampvuur om warm te blijven in de koude nacht.