een kleine groene of zwarte vrucht van de olijfboom, gegeten als snack of gebruikt in de keuken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze legde een handvol olijven op de pizza.
• Bij het aperitief werden olijven en kaas geserveerd.
een eetbare noot van de amandelboom
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik eet elke ochtend een handvol amandelen als gezond tussendoortje.
• De banketbakker gebruikt gemalen amandelen voor de taart.
een eetbare noot van de walnotenboom met een harde, gerimpelde schaal
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze voegde gehakte walnoten toe aan de salade voor een krokante bite.
• Walnoten bevatten veel omega-3 vetzuren die goed zijn voor het hart.
een peulvrucht die onder de grond groeit en als noot wordt gegeten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kinderen snoepten pinda's tijdens de film.
• Van geroosterde pinda's wordt pindakaas gemaakt.
een halvemaanvormige eetbare noot van de cashewboom
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De roerbak bevat cashewnoten, paprika en kip.
• Cashewnoten hebben een romige smaak en worden vaak als snack gegeten.
een kleine groene eetbare noot van de pistacheboom, met een gespleten schaal
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze bestelde een bolletje pistache-ijs bij de ijssalon.
• De pistaches lagen gezouten in een kommetje op tafel.
een kleine ronde noot van de hazelaar, met een bruine harde schaal
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze roosterde een handvol hazelnoten in de koekenpan.
• De taart was gegarneerd met gehakte hazelnoten en pure chocolade.
een plant waarvan de kleine zaadjes worden gebruikt als ingrediënt in de keuken en voor het persen van olie
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De hamburgerbroodjes waren bestrooid met sesamzaadjes.
• Tahini wordt gemaakt van gemalen sesam.