Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Everyday
  3. Music and Arts

Music and Arts

Musical instruments and artistic terms

20 words · Dutch (Netherlands)

Difficulty
Intermediate
Topic
Everyday
Music and Arts

gitaar

/ˈxitaːr/

  1. een snaarinstrument met zes snaren dat met de vingers of een plectrum bespeeld wordt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij speelt elke avond gitaar.
    • Ze heeft een klassieke gitaar gekregen voor haar verjaardag.

piano

/ˈpiaːnoː/

  1. een groot toetsinstrument met snaren die worden aangeslagen door hamertjes

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze leerde piano spelen toen ze zes jaar oud was.
    • De piano stond in de hoek van de woonkamer.

drums

/drʌms/

  1. een stel slagwerkinstrumenten bestaande uit trommels, bekkens en andere percussie-elementen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij speelt al tien jaar drums in een rockband.
    • De drums zorgen voor het ritmische fundament van het nummer.

viool

/viˈoːl/

  1. een strijkinstrument met vier snaren dat met een strijkstok wordt bespeeld

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze begon op haar zevende met vioolles.
    • De soloviool klonk prachtig in de concertzaal.

zanger

/ˈzaːŋər/

  1. iemand die beroepsmatig of als hobby zingt; een zangeres is de vrouwelijke variant

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij is een bekende zanger in Nederland.
    • De zanger betrad het podium.

concert

/ˈkɔnsərt/

  1. een openbaar muzikaal optreden

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze gaan vanavond naar een concert.
    • Het concert was uitverkocht.

melodie

/meːloːˈdi/

  1. een reeks tonen die samen een herkenbaar muzikaal patroon vormen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De melodie van het liedje bleef de hele dag in mijn hoofd zitten.
    • Hij floot een vrolijke melodie terwijl hij door de straat liep.

ritme

/ˈrɪtmə/

  1. een regelmatig terugkerend patroon van klanken, bewegingen of gebeurtenissen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De drummer hield het ritme perfect bij tijdens het hele optreden.
    • Na een paar weken begon ze het ritme van haar nieuwe werkroutine te vinden.

schilderij

/ˈsxɪldeːrɛi/

  1. een kunstwerk gemaakt met verf op een doek, paneel of andere ondergrond

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Het schilderij hing prominent in het museum.
    • Ze kocht een mooi schilderij voor aan de muur.

sculptuur

/skʏlpˈtyːr/

  1. een driedimensionaal kunstwerk dat is gemaakt door te boetseren, houwen of gieten

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De sculptuur van Rodin staat in het midden van de zaal.
    • De kunstenaar maakte een sculptuur van marmer.

galerie

/ɡaːləˈriː/

  1. een ruimte of gebouw waar kunstwerken worden tentoongesteld en soms verkocht

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De galerie in de binnenstad toont werk van jonge schilders.
    • Ze bezochten een galerie om moderne kunst te bekijken.

theater

/ˈteːaːtər/

  1. een gebouw voor het opvoeren van toneelstukken; ook: het medium

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze werkt als actrice in het theater.
    • Het stuk wordt opgevoerd in een klein theater.

acteur

/ˈɑktøːr/

  1. iemand die een rol speelt in theater, film of televisie

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Hij is een beroemde acteur die veel prijzen heeft gewonnen.
    • De jonge acteur maakte indruk met zijn debuut.

podium

/ˈpoːdiʏm/

  1. een verhoogd platform waarop sprekers of artiesten plaatsnemen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De zanger betrad het podium.
    • Ze sprak vanachter het podium.

repetitie

/ˌreːpəˈtiː.tsi/

  1. een oefensessie waarbij een uitvoering wordt ingestudeerd voor het echte optreden

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De acteurs hebben vanavond een repetitie voor het toneelstuk.
    • Na elke repetitie gaf de dirigent commentaar op de uitvoering.

publiek

/ˈpʏblik/

  1. het aanwezige publiek bij een evenement; ook: openbaar

    zelfstandig naamwoord / bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Het publiek reageerde enthousiast op het optreden.
    • Dit is een publieke ruimte.

voorstelling

/ˈvoːrstɛlɪŋ/

  1. een uitvoering voor een publiek, zoals een toneelstuk, concert of show

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De voorstelling begint om acht uur.
    • De kinderen gaven een voorstelling voor de ouders.

directeur

/ˈdirɛktøːr/

  1. de leidinggevende van een bedrijf, instelling of organisatie

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De directeur heeft de vergadering geopend.
    • Ze werd benoemd tot directeur van het ziekenhuis.

doek

/duk/

  1. Een stuk textiel of weefsel; ook: filmscherm

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze veegde het tafelblad af met een doek.
    • De film werd vertoond op een groot doek.

fotografie

/ˈfoːtɔxraːfi/

  1. de kunst en techniek van het maken van foto's

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze studeerde fotografie aan de kunstacademie.
    • Fotografie als hobby is erg populair.