de leidinggevende van een bedrijf, instelling of organisatie
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De directeur heeft de vergadering geopend.
• Ze werd benoemd tot directeur van het ziekenhuis.
een snaarinstrument met zes snaren dat met de vingers of een plectrum bespeeld wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij speelt elke avond gitaar.
• Ze heeft een klassieke gitaar gekregen voor haar verjaardag.
een groot toetsinstrument met snaren die worden aangeslagen door hamertjes
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze leerde piano spelen toen ze zes jaar oud was.
• De piano stond in de hoek van de woonkamer.
een stel slagwerkinstrumenten bestaande uit trommels, bekkens en andere percussie-elementen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij speelt al tien jaar drums in een rockband.
• De drums zorgen voor het ritmische fundament van het nummer.
een strijkinstrument met vier snaren dat met een strijkstok wordt bespeeld
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze begon op haar zevende met vioolles.
• De soloviool klonk prachtig in de concertzaal.
iemand die beroepsmatig of als hobby zingt; een zangeres is de vrouwelijke variant
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij is een bekende zanger in Nederland.
• De zanger betrad het podium.
een openbaar muzikaal optreden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gaan vanavond naar een concert.
• Het concert was uitverkocht.
een reeks tonen die samen een herkenbaar muzikaal patroon vormen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De melodie van het liedje bleef de hele dag in mijn hoofd zitten.
• Hij floot een vrolijke melodie terwijl hij door de straat liep.
een regelmatig terugkerend patroon van klanken, bewegingen of gebeurtenissen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De drummer hield het ritme perfect bij tijdens het hele optreden.
• Na een paar weken begon ze het ritme van haar nieuwe werkroutine te vinden.
een kunstwerk gemaakt met verf op een doek, paneel of andere ondergrond
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het schilderij hing prominent in het museum.
• Ze kocht een mooi schilderij voor aan de muur.
een driedimensionaal kunstwerk dat is gemaakt door te boetseren, houwen of gieten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De sculptuur van Rodin staat in het midden van de zaal.
• De kunstenaar maakte een sculptuur van marmer.
een ruimte of gebouw waar kunstwerken worden tentoongesteld en soms verkocht
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De galerie in de binnenstad toont werk van jonge schilders.
• Ze bezochten een galerie om moderne kunst te bekijken.
een gebouw voor het opvoeren van toneelstukken; ook: het medium
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze werkt als actrice in het theater.
• Het stuk wordt opgevoerd in een klein theater.
iemand die een rol speelt in theater, film of televisie
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij is een beroemde acteur die veel prijzen heeft gewonnen.
• De jonge acteur maakte indruk met zijn debuut.
een verhoogd platform waarop sprekers of artiesten plaatsnemen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De zanger betrad het podium.
• Ze sprak vanachter het podium.
een oefensessie waarbij een uitvoering wordt ingestudeerd voor het echte optreden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De acteurs hebben vanavond een repetitie voor het toneelstuk.
• Na elke repetitie gaf de dirigent commentaar op de uitvoering.
het aanwezige publiek bij een evenement; ook: openbaar
zelfstandig naamwoord / bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Het publiek reageerde enthousiast op het optreden.
• Dit is een publieke ruimte.
een uitvoering voor een publiek, zoals een toneelstuk, concert of show
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De voorstelling begint om acht uur.
• De kinderen gaven een voorstelling voor de ouders.
Een stuk textiel of weefsel; ook: filmscherm
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze veegde het tafelblad af met een doek.
• De film werd vertoond op een groot doek.
de kunst en techniek van het maken van foto's
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze studeerde fotografie aan de kunstacademie.
• Fotografie als hobby is erg populair.