het harde materiaal van boomstammen en takken; gebruikt als bouwmateriaal en brandstof
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het huis is gebouwd van hout.
• Ze hakte hout voor de open haard.
Een vaste, glanzende stof die goed warmte en elektriciteit geleidt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De brug was gemaakt van metaal.
• Ze recyclen oud metaal.
doorzichtig, hard materiaal; ook een drinkbeker van glas of de hoeveelheid drank daarin
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Een glas water, alsjeblieft.
• Het glas viel op de grond.
synthetisch materiaal dat gemakkelijk te vormen is en veel wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Plastic vervuiling is een groot milieuprobeem.
• De fles is gemaakt van gerecycled plastic.
een natuurlijke stof gemaakt van de vezels van de katoenplant, veel gebruikt voor kleding
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Dit t-shirt is gemaakt van honderd procent katoen.
• Katoen voelt zacht aan en is prettig om te dragen in warm weer.
eerste persoon enkelvoud of gebiedende wijs van leren; verwerft kennis of vaardigheid
werkwoord
Examples:
• Ik leer nu een nieuwe taal.
• Leer van je fouten!
elastisch materiaal gewonnen uit de rubberboom of synthetisch vervaardigd, gebruikt voor banden, handschoenen en afdichtingen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De banden van de auto zijn gemaakt van rubber.
• Hij droeg rubberen handschoenen tijdens het schoonmaken.
hard bouwmateriaal gemaakt van cement, zand, grind en water, dat na uitharding zeer sterk is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De brug is opgebouwd uit gewapend beton.
• De arbeiders stortten beton voor de fundering van het nieuwe gebouw.
de kant of richting ten opzichte van een middelpunt of ander referentiepunt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij stond aan mijn zijde tijdens de ceremonie.
• Aan beide zijden van de weg stonden bomen.
een glanzende, fijne stof gemaakt van draden die door zijderupsen worden geproduceerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De jurk is gemaakt van zuivere zijde.
• Zijde voelt heel zacht aan.
natuurlijke vezel afkomstig van schapen, gebruikt voor het maken van kleding en textiel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De trui is gebreid van zachte schapenwol.
• Wol houdt goed de warmte vast, zelfs als het nat is.
licht en stevig textiel geweven van vlasvezel, bekend om zijn vochtopnemend vermogen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze droeg een linnen blouse op de warme zomerdag.
• Het tafelkleed is gemaakt van wit linnen.
zachte, plastische aardstof die na verhitting hard wordt en gebruikt wordt voor aardewerk en keramiek
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De pottenbakker vormde een vaas uit klei op de draaischijf.
• Kinderen maakten figuren van klei tijdens de knutselles.
hard anorganisch materiaal; ook een individuele rots of steen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het pad was belegd met stenen.
• Ze gooide een steen in de vijver.
Iemand die iets koopt; ook: het roodachtige metaal
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De koper bood meer dan de vraagprijs.
• Koper is een geleidend metaal.
licht, zilverkleurig metaal dat veel wordt gebruikt in de industrie en verpakkingen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De vliegtuigromp is grotendeels van aluminium gemaakt.
• Hij wikkelde de restjes eten in aluminiumfolie.
massa van kleine belletjes gevormd in een vloeistof of op een oppervlak
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er dreef wit schuim op het bier.
• Het bad stond vol met zeepschuim.
zacht, dicht geweven stof met een fluweelachtig oppervlak
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De gordijnen waren gemaakt van diepblauw fluweel.
• Ze droeg een jurk van rood fluweel naar het gala.
legering van koper en tin met een bruingele kleur, gebruikt voor beelden en munten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het standbeeld op het plein was gegoten in brons.
• Hij won de bronzen medaille op de Olympische Spelen.
Een hard metaallegering van ijzer en koolstof
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De brug is gebouwd van staal.
• Ze heeft een zenuwstelsel van staal.
fijn, wit keramisch materiaal dat wordt gebruikt voor servies en decoratieve voorwerpen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De theekopjes van fijn porselein stonden netjes in de vitrine.
• De vaas was gemaakt van Chinees porselein.