Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Nature
  3. Landscapes & Geography

Landscapes & Geography

Natural landforms and geography terms

Intermediate
Nature
berg
/bɛrx/

een grote natuurlijke verhoging in het landschap

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze beklommen de berg in twee dagen.

• Er lag sneeuw op de top van de berg.

vallei
/ˈvɑlɛi/

een lager gelegen gebied tussen bergen of heuvels, vaak met een rivier

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De vallei was bedekt met groene weiden en bloemen.

• De rivier stroomt door de smalle vallei.

rivier
/ˈrivir/

een grote, natuurlijk stromende watermassa die van het land naar de zee of een meer loopt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De Rijn is een belangrijke rivier in Europa.

• Ze zwommen in de rivier op een warme zomerdag.

meer
/meːr/

bijwoord of bijvoeglijk naamwoord dat een grotere hoeveelheid of mate aanduidt

bijwoord

Examples:

• Ze heeft meer geduld nodig.

• Ik wil meer weten over dit onderwerp.

oceaan
/ˈoːseːaːn/

Een grote zee die een van de vijf belangrijke watermassa's op aarde is.

noun

Examples:

• De Atlantische Oceaan is de oceaan tussen Amerika en Europa.

• Zeilen over de oceaan kan weken of zelfs maanden duren.

eiland
/ˈɛilɑnt/

een stuk land dat volledig door water omringd is

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze gingen op vakantie naar een tropisch eiland.

• IJsland is het grootste eiland van Europa na Groenland.

woestijn
/ˈʋustɛin/

een droog, dor landschap met weinig vegetatie en extreme temperaturen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De Sahara is de grootste hete woestijn ter wereld.

• In de woestijn is het overdag erg warm en 's nachts koud.

bos
/bɔs/

een groot aaneengesloten gebied begroeid met bomen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• We maakten een wandeling door het bos.

• In het bos hoorde je alleen de vogels zingen.

klif
/klɪf/

een steile rotswand aan de kust of een bergrand

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De wandelaars stonden aan de rand van een hoge klif met uitzicht op zee.

• Door erosie brokkelt het klif langzaam af.

vulkaan
/vʏlˈkaːn/

een berg of opening in de aardkorst waaruit lava, as en gassen kunnen uitbarsten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De vulkaan barstte uit en bedekte het dorp met as.

• Op de Canarische Eilanden zijn meerdere actieve vulkanen te vinden.

gletsjer
/ˈɣlɛt͡ʃər/

een grote, langzaam bewegende massa ijs die zich door een bergdal of over een landmassa verplaatst

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Door de opwarming van de aarde smelten gletsjers steeds sneller.

• De wandelaars trokken over de gletsjer met spijkerschoenen aan hun voeten.

canyon
/ˈkænjən/

een diepe, smalle kloof met steile wanden, gevormd door erosie van een rivier

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De Grand Canyon in Arizona trekt elk jaar miljoenen toeristen.

• De rivier had door de eeuwen heen een diepe canyon uitgesleten in het rots.

waterval
/ˈʋaːtərˌvɑl/

een plek waar water van een hoogte naar beneden valt, meestal in een rivier of beek

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De waterval bruiste luid terwijl het water tientallen meters omlaag stortte.

• We maakten een foto bij de waterval aan het einde van het wandelpad.

schiereiland
/ˈsxiːrˌeɪlɑnt/

een stuk land dat aan drie zijden door water is omgeven en aan één zijde met het vasteland verbonden is

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het Iberisch Schiereiland omvat Spanje en Portugal.

• Op het schiereiland waaide altijd een stevige zeewind.

plateau
/plaːˈtoː/

een uitgestrekt, vlak en hoog gelegen stuk land

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het plateau strekte zich kilometers ver uit zonder enige heuvel.

• De boeren op het plateau hadden weinig beschutting tegen de wind.

weide
/ˈʋɛi̯də/

een stuk grasland waarop dieren buiten grazen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De koeien lopen de hele zomer in de weide.

• Achter het huis ligt een groene weide met schapen.

moeras
/muˈrɑs/

een moerassig, laaggelegen gebied met stilstaand water en weelderige plantengroei

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het moeras was het thuis van talloze kikkers en reigers.

• We zakten bijna door onze enkels in het zachte moeras.

rif
/rɪf/

een onderwater gelegen richel van rots of koraal vlak bij het wateroppervlak

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het schip liep op een rif en begon water te maken.

• Duikers ontdekten een kleurrijk koraalrif voor de kust.

grot
/ɣrɔt/

een natuurlijke holle ruimte in de grond of in een rots

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De ontdekkingsreizigers staken hun fakkel op en liepen de donkere grot in.

• Vroege mensen leefden in grotten en schilderden op de wanden.

horizon
/ɦoːˈriːzɔn/

de denkbeeldige lijn in de verte waar de aarde en de lucht elkaar lijken te raken

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De zon zakte langzaam achter de horizon.

• Op de vlakte kon je de horizon in alle richtingen zien.