een stuk grasland waarop dieren buiten grazen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De koeien lopen de hele zomer in de weide.
• Achter het huis ligt een groene weide met schapen.
een groot aaneengesloten gebied begroeid met bomen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• We maakten een wandeling door het bos.
• In het bos hoorde je alleen de vogels zingen.
een grote natuurlijke verhoging in het landschap
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze beklommen de berg in twee dagen.
• Er lag sneeuw op de top van de berg.
een lager gelegen gebied tussen bergen of heuvels, vaak met een rivier
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De vallei was bedekt met groene weiden en bloemen.
• De rivier stroomt door de smalle vallei.
een grote, natuurlijk stromende watermassa die van het land naar de zee of een meer loopt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De Rijn is een belangrijke rivier in Europa.
• Ze zwommen in de rivier op een warme zomerdag.
bijwoord of bijvoeglijk naamwoord dat een grotere hoeveelheid of mate aanduidt
bijwoord
Examples:
• Ze heeft meer geduld nodig.
• Ik wil meer weten over dit onderwerp.
Een grote zee die een van de vijf belangrijke watermassa's op aarde is.
noun
Examples:
• De Atlantische Oceaan is de oceaan tussen Amerika en Europa.
• Zeilen over de oceaan kan weken of zelfs maanden duren.
een stuk land dat volledig door water omringd is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gingen op vakantie naar een tropisch eiland.
• IJsland is het grootste eiland van Europa na Groenland.
een droog, dor landschap met weinig vegetatie en extreme temperaturen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De Sahara is de grootste hete woestijn ter wereld.
• In de woestijn is het overdag erg warm en 's nachts koud.
een steile rotswand aan de kust of een bergrand
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De wandelaars stonden aan de rand van een hoge klif met uitzicht op zee.
• Door erosie brokkelt het klif langzaam af.
een berg of opening in de aardkorst waaruit lava, as en gassen kunnen uitbarsten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De vulkaan barstte uit en bedekte het dorp met as.
• Op de Canarische Eilanden zijn meerdere actieve vulkanen te vinden.
een grote, langzaam bewegende massa ijs die zich door een bergdal of over een landmassa verplaatst
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Door de opwarming van de aarde smelten gletsjers steeds sneller.
• De wandelaars trokken over de gletsjer met spijkerschoenen aan hun voeten.
een diepe, smalle kloof met steile wanden, gevormd door erosie van een rivier
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De Grand Canyon in Arizona trekt elk jaar miljoenen toeristen.
• De rivier had door de eeuwen heen een diepe canyon uitgesleten in het rots.
een plek waar water van een hoogte naar beneden valt, meestal in een rivier of beek
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De waterval bruiste luid terwijl het water tientallen meters omlaag stortte.
• We maakten een foto bij de waterval aan het einde van het wandelpad.
een stuk land dat aan drie zijden door water is omgeven en aan één zijde met het vasteland verbonden is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het Iberisch Schiereiland omvat Spanje en Portugal.
• Op het schiereiland waaide altijd een stevige zeewind.
een uitgestrekt, vlak en hoog gelegen stuk land
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het plateau strekte zich kilometers ver uit zonder enige heuvel.
• De boeren op het plateau hadden weinig beschutting tegen de wind.
een moerassig, laaggelegen gebied met stilstaand water en weelderige plantengroei
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het moeras was het thuis van talloze kikkers en reigers.
• We zakten bijna door onze enkels in het zachte moeras.
een onderwater gelegen richel van rots of koraal vlak bij het wateroppervlak
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het schip liep op een rif en begon water te maken.
• Duikers ontdekten een kleurrijk koraalrif voor de kust.
een natuurlijke holle ruimte in de grond of in een rots
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De ontdekkingsreizigers staken hun fakkel op en liepen de donkere grot in.
• Vroege mensen leefden in grotten en schilderden op de wanden.
de denkbeeldige lijn in de verte waar de aarde en de lucht elkaar lijken te raken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De zon zakte langzaam achter de horizon.
• Op de vlakte kon je de horizon in alle richtingen zien.