een wijk of gedeelte van een stad of dorp
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze woont in een rustige buurt.
• De buurt is veranderd door nieuwbouw.
een openbaar groen terrein voor recreatie; ook een bedrijventerrein of parkeerplaats
zelfstandig naamwoord
Examples:
• We gingen picknicken in het park.
• Het park is overdag open.
een instelling voor onderwijs aan kinderen en jongeren
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kinderen gaan elke dag naar school.
• Ze werkt als lerares op een basisschool.
Een plaats waar boeken, tijdschriften en andere materialen voor lezen en studeren beschikbaar zijn.
noun
Examples:
• Ze brengt elke zaterdag een bezoek aan de bibliotheek.
• De universiteitsbibliotheek heeft een uitgebreide collectie wetenschappelijke publicaties.
een gebouw of instelling voor medische behandeling van patiënten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze werd met spoed naar het ziekenhuis gebracht.
• Hij werkt als chirurg in een ziekenhuis.
een winkel waar geneesmiddelen op recept en vrij verkrijgbare medicijnen worden verkocht
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze haalde het voorgeschreven medicijn op bij de apotheek.
• De apotheek op de hoek is ook op zaterdagochtend open.
een winkel of bedrijf waar brood, gebak en andere bakeproducten worden gemaakt en verkocht
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Elke ochtend haal ik verse broodjes bij de bakkerij op de hoek.
• De bakkerij verspreidde een heerlijke geur van versgebakken brood.
een financiële instelling die geld beheert; ook: een zitmeubel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze haalt geld op bij de bank.
• Ze zaten op de bank voor de televisie.
een gebouw waar je brieven en pakketten kunt versturen, ontvangen en postzegels kunt kopen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze stuurde het pakket op via het postkantoor in de buurt.
• Op het postkantoor kun je ook bepaalde overheidsdocumenten aanvragen.
een gebouw voor christelijke eredienst; ook de christelijke geloofsgemeenschap
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gaan elke zondag naar de kerk.
• De oude kerk staat midden in het dorp.
een buitenruimte met speeltoestellen waar kinderen kunnen spelen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Na school rennen de kinderen naar de speelplaats in het park.
• Op de speelplaats staan een glijbaan, schommels en een klimrek.
Een plek waar voertuigen geparkeerd kunnen worden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er was geen parkeerplaats meer vrij.
• Ze zocht lang naar een parkeerplaats.
een plek langs de weg waar je brandstof kunt tanken en soms ook snacks en dranken kunt kopen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij stopte bij het tankstation om brandstof te tanken voor de lange rit.
• Het tankstation aan de snelweg is dag en nacht open.
het gebouw waar brandweerlieden en brandweerauto's gestationeerd zijn
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De brandweerkazerne ligt op slechts twee minuten rijden van ons huis.
• Kinderen mogen bij open dag de brandweerkazerne van binnen bekijken.
het kantoor of gebouw van de politie waar aangifte kan worden gedaan en verdachten worden vastgehouden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Na de inbraak deed ze aangifte bij het politiebureau.
• Het politiebureau in het centrum is zeven dagen per week bereikbaar.
Een zelfstandige wooneenheid die een deel vormt van een groter gebouw.
noun
Examples:
• Ze heeft onlangs een appartement in het centrum gekocht.
• Hij verhuurt zijn appartement aan toeristen.
een bus of gleuf aan of bij een gebouw waar post in wordt gedeponeerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De postbode deed de brief door de brievenbus.
• De brievenbus zat overvol na twee weken vakantie.
een lamp op een paal langs de straat die 's nachts voor verlichting zorgt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De straatlantaarns gingen aan zodra het donker werd.
• Een kapotte straatlantaarn maakte de steeg onveilig.
een zitplaats in de openlucht, zoals in een park of op een plein
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze zat op een bankje in het park te lezen.
• Het bankje bij de bushalte was bezet.
een decoratieve waterconstructie in een tuin of op een plein waaruit water omhoog spuit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Op het marktplein staat een grote stenen fontein.
• Kinderen gooien muntjes in de fontein en doen een wens.