Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Food
  3. Grocery Store

Grocery Store

Navigating a grocery store

10 words · Dutch (Netherlands)

Difficulty
Basic
Topic
Food

supermarkt

/ˈsyːpɛrmɑrkt/

  1. een grote winkel waar voedingsmiddelen en dagelijkse benodigdheden worden verkocht

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze koopt haar boodschappen in de supermarkt.
    • De supermarkt is dicht op zondag.

markt

/mɑrkt/

  1. een openluchtplek waar goederen worden verkocht; ook: het economisch handelsgebied

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Op zaterdag is er een markt op het plein.
    • De aandelenmarkt daalde vandaag sterk.

plank

/plɑŋk/

  1. een vlak, horizontaal bord van hout of een ander materiaal waarop producten worden neergelegd of opgeslagen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De blikken soep staan op de onderste plank in het rek.
    • Ze zocht haar favoriete pasta op de plank met Italiaanse producten.

wagen

/ˈʋaːxən/

  1. een voertuig; ook: het wagen om iets te doen

    zelfstandig naamwoord / werkwoord

    Examples

    • Zijn wagen staat voor de deur.
    • Ze waagde het hem de waarheid te zeggen.

kassa

/ˈkɑsaː/

  1. de plek in een winkel waar klanten hun aankopen afrekenen

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Er stond een lange rij bij de kassa.
    • Ze legde haar boodschappen op de band bij de kassa.

kassier

/kɑˈsir/

  1. een medewerker in een winkel die de kassa bedient en betalingen verwerkt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De kassier scande alle artikelen snel en vriendelijk.
    • Ze vroeg de kassier of ze de bon mee wilde hebben.

bakkerij

/ˌbɑkəˈrɛi/

  1. een winkel of bedrijf waar brood, gebak en andere bakeproducten worden gemaakt en verkocht

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Elke ochtend haal ik verse broodjes bij de bakkerij op de hoek.
    • De bakkerij verspreidde een heerlijke geur van versgebakken brood.

zuivel

/ˈzœyvəl/

  1. voedingsproducten gemaakt van melk, zoals kaas, yoghurt en boter

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Het zuivelschap in de supermarkt staat vol met melk, kaas en yoghurt.
    • Nederland is bekend om zijn zuivelproducten.

delicatessen

/ˌdeːlikaːˈtɛsə(n)/

  1. een winkel of afdeling die fijne, bijzondere of geïmporteerde etenswaren verkoopt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Bij de delicatessen vond ze een zeldzame Italiaanse kaas.
    • De delicatessen op de markt verkoopt ambachtelijke worst en foie gras.

bon

/bɔn/

  1. een bewijsstuk van een aankoop waarop de gekochte artikelen en het betaalde bedrag staan vermeld

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Bewaar je bon als je het product wilt ruilen.
    • Ze vroeg om de bon zodat ze de uitgaven kon declareren.