/ˈsyːpɛrmɑrkt/
een grote winkel waar voedingsmiddelen en dagelijkse benodigdheden worden verkocht
zelfstandig naamwoord
Examples
/mɑrkt/
een openluchtplek waar goederen worden verkocht; ook: het economisch handelsgebied
zelfstandig naamwoord
Examples
/plɑŋk/
een vlak, horizontaal bord van hout of een ander materiaal waarop producten worden neergelegd of opgeslagen
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈʋaːxən/
een voertuig; ook: het wagen om iets te doen
zelfstandig naamwoord / werkwoord
Examples
/ˈkɑsaː/
de plek in een winkel waar klanten hun aankopen afrekenen
zelfstandig naamwoord
Examples
/kɑˈsir/
een medewerker in een winkel die de kassa bedient en betalingen verwerkt
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˌbɑkəˈrɛi/
een winkel of bedrijf waar brood, gebak en andere bakeproducten worden gemaakt en verkocht
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈzœyvəl/
voedingsproducten gemaakt van melk, zoals kaas, yoghurt en boter
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˌdeːlikaːˈtɛsə(n)/
een winkel of afdeling die fijne, bijzondere of geïmporteerde etenswaren verkoopt
zelfstandig naamwoord
Examples
/bɔn/
een bewijsstuk van een aankoop waarop de gekochte artikelen en het betaalde bedrag staan vermeld
zelfstandig naamwoord
Examples