een graangewas en het voedselproduct dat ervan gemaakt wordt, veelgegeten in Azië
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze kookte rijst als bijgerecht bij het Aziatische gerecht.
• Rijst is het basisvoedsel van meer dan de helft van de wereldbevolking.
een graangewas waarvan de zaden worden gemalen tot meel voor brood en andere bakkersproducten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Op de vlakke akkers in Groningen wordt veel tarwe verbouwd.
• Voor dit brood heb je volkorenmeel van tarwe nodig.
een basisvoedingsmiddel gemaakt van gebakken deeg van meel, water en gist
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik eet elke dag een boterham brood.
• Dit brood is vandaag gebakken.
een graangewas met gele korrels op een kolf dat als groente of grondstof wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze gooide een kolf maïs op de barbecue.
• De boer verbouwde maïs op zijn akker.
een graangewas waarvan de zaden worden gebruikt als voedsel voor mensen en dieren, onder meer in havermout
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Elke ochtend eet hij een kom havermout gemaakt van haver.
• De paarden kregen een emmer haver als voer.
een graangewas dat goed gedijt op arme grond en waarvan het meel wordt gebruikt voor donker roggebrood
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Roggebrood is steviger en voedzamer dan gewoon witbrood.
• In Nederland wordt rogge voornamelijk verbouwd op de zandgronden van Drenthe en Brabant.
een graangewas waarvan de korrels worden gebruikt voor bier, whisky, veevoer en pap
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Gerst is een van de belangrijkste grondstoffen voor de bierbrouwerij.
• De boer verbouwde dit jaar een groot veld gerst voor het veevoer.
een Zuid-Amerikaans zaadgewas dat als graanvervanger wordt gegeten en rijk is aan eiwitten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze maakte een salade met quinoa, avocado en groenten.
• Quinoa is een populair alternatief voor rijst bij mensen die glutenvrij eten.
een plant waarvan de zaden worden gemalen tot meel of gebruikt worden voor pap en pannenkoeken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• In Limburg worden traditioneel pannenkoeken van boekweitmeel gebakken.
• Boekweit bevat geen gluten en is daardoor geschikt voor mensen met coeliakie.
het gekleurde deel van een plant dat voor voortplanting zorgt; ook meel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze plukte een mooie bloem uit de tuin.
• Gebruik bloem om het deeg te maken.
Italiaans gerecht van deegwaren gemaakt van tarwebloem en water, in verschillende vormen zoals spaghetti of penne
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze maakte pasta met een romige tomatensaus en versgeraspte parmezaan.
• Pasta is een van de meest gegeten maaltijden in Nederland.
een lang dun deegproduct gemaakt van bloem en water, gebruikt in soepen en roerbakgerechten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij gooide een handvol noedels in de kokende bouillon.
• In de Aziatische supermarkt vind je noedels in allerlei diktes en soorten.
een graangewas met kleine ronde zaden, veel geteeld in Afrika en Azië als basisvoedsel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Gierst wordt in West-Afrika dagelijks gegeten als pap of couscous.
• Ze verving de rijst door gierst voor een meer voedzame maaltijd.