Words for a grocery shopping trip
24 wordsDutch (Netherlands)

/ˈsyːpɛrmɑrkt/
een grote winkel waar voedingsmiddelen en dagelijkse benodigdheden worden verkocht
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈʋaːxən/
een voertuig; ook: het wagen om iets te doen
zelfstandig naamwoord / werkwoord
Examples
/plɑŋk/
een vlak, horizontaal bord van hout of een ander materiaal waarop producten worden neergelegd of opgeslagen
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈɣɑŋˌpɑt/
een smal doorlooppad tussen rijen rekken of stoelen, zoals in een supermarkt of vliegtuig
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˌbɑkəˈrɛi/
een winkel of bedrijf waar brood, gebak en andere bakeproducten worden gemaakt en verkocht
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈzœyvəl/
voedingsproducten gemaakt van melk, zoals kaas, yoghurt en boter
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˌdeːlikaːˈtɛsə(n)/
een winkel of afdeling die fijne, bijzondere of geïmporteerde etenswaren verkoopt
zelfstandig naamwoord
Examples
/broːt/
een basisvoedingsmiddel gemaakt van gebakken deeg van meel, water en gist
zelfstandig naamwoord
Examples
/mɛlk/
een witte voedzame vloeistof die door zoogdieren wordt geproduceerd om hun jongen te voeden
zelfstandig naamwoord
Examples
/ɛi/
het ovale voortplantingslichaam van vogels of reptielen, of een kippenei als voedsel
zelfstandig naamwoord
Examples
/kaːs/
een voedingsmiddel gemaakt van stremsel gewei melk, verkrijgbaar in vele soorten en smaken
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈboːtər/
een geel zuivelproduct gemaakt van gekarnde room, gebruikt om op brood te smeren of mee te bakken
zelfstandig naamwoord
Examples
/kɪp/
Een tam gevogelte dat gehouden wordt voor eieren en vlees
zelfstandig naamwoord
Examples
/rɛist/
een graangewas en het voedselproduct dat ervan gemaakt wordt, veelgegeten in Azië
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈɑpəl/
een ronde vrucht met een rode, gele of groene schil en wit vruchtvlees
zelfstandig naamwoord
Examples
/toːˈmaːt/
een rood, sappig vruchtgroente dat veel gebruikt wordt in de keuken
zelfstandig naamwoord
Examples
/œy/
een bolgewas met een scherpe geur en smaak dat veel gebruikt wordt als smaakmaker in gerechten
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈkɑsaː/
de plek in een winkel waar klanten hun aankopen afrekenen
zelfstandig naamwoord
Examples
/kɑˈsir/
een medewerker in een winkel die de kassa bedient en betalingen verwerkt
zelfstandig naamwoord
Examples
/bɔn/
een bewijsstuk van een aankoop waarop de gekochte artikelen en het betaalde bedrag staan vermeld
zelfstandig naamwoord
Examples
/tɑs/
een draagbaar voorwerp van stof, leer of ander materiaal om spullen in te bewaren en mee te nemen
zelfstandig naamwoord
Examples
/prɛis/
het bedrag dat betaald moet worden voor een product of dienst, of een onderscheiding
zelfstandig naamwoord
Examples
/ˈkoːpən/
iets in bezit nemen door er geld voor te betalen
werkwoord
Examples
/ˈbeːtaːlən/
geld overdragen als vergoeding voor een dienst, product of schuld
werkwoord
Examples