een openluchtplek waar goederen worden verkocht; ook: het economisch handelsgebied
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Op zaterdag is er een markt op het plein.
• De aandelenmarkt daalde vandaag sterk.
geteeld of geproduceerd zonder gebruik van kunstmest of chemische bestrijdingsmiddelen
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze koopt alleen biologisch vlees bij de lokale slager.
• Biologische groenten zijn vaak duurder dan gewone groenten.
Recent geproduceerd, niet oud; ook: een strofe in een gedicht
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze kochten vers brood bij de bakker.
• Het eerste vers van het gedicht was ontroerend.
afkomstig uit of behorend tot de directe omgeving of regio
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De markt verkoopt uitsluitend lokale producten van boeren uit de buurt.
• Ze eten zo veel mogelijk lokaal fruit dat in het seizoen is.
persoon die goederen of producten verkoopt, bijvoorbeeld op een markt of in een winkel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De verkoper op de markt prees zijn verse aardbeien aan.
• Ze vroeg de verkoper of hij ook biologische appels had.
een zoete, dikke vloeistof die bijen maken van bloemennectar en die wordt gebruikt als zoetstof of broodbeleg
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze roert een lepel honing door haar thee.
• Lokale honing heeft vaak een andere smaak dan honing uit de supermarkt.
zoet beleg van gekookt fruit en suiker, gebruikt op brood of toast
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij smeert elke ochtend aardbeijam op zijn boterham.
• De verkoper op de markt bood zelfgemaakte jam aan in kleine potjes.
een aromatische plant waarvan de bladeren of stengels worden gebruikt in de keuken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Basilicum is een populair kruid in de Italiaanse keuken.
• Ze kweekt verschillende kruiden in potten op het balkon.
een basisvoedingsmiddel gemaakt van gebakken deeg van meel, water en gist
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ik eet elke dag een boterham brood.
• Dit brood is vandaag gebakken.
een voedingsmiddel gemaakt van stremsel gewei melk, verkrijgbaar in vele soorten en smaken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Nederland is beroemd om zijn kaas.
• Ze at een boterham met kaas.
gevlochten houder van riet of wilgentenen, gebruikt om dingen in te dragen of bewaren
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze liep door de markt met een rieten mand vol groenten en fruit.
• De mand op het aanrecht zat boordevol met verse broden.
afhankelijk van of beperkt tot een bepaald seizoen van het jaar
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Aardbeien zijn een seizoengebonden product dat vooral in de zomer verkrijgbaar is.
• De vraag naar verwarmingsinstallaties is sterk seizoengebonden.
door jezelf thuis gemaakt en niet industrieel geproduceerd
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze bracht een pot zelfgemaakte jam mee als cadeau.
• Zelfgemaakt brood smaakt veel beter dan brood uit de winkel.
een handmatig beroep of vak waarbij vakmanschap en traditionele technieken centraal staan
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het ambacht van de meubelmaker wordt van generatie op generatie doorgegeven.
• Steeds meer jongeren kiezen voor een ambacht in plaats van een kantoorbaan.