een omheining van metaal of hout die een erf of tuin afbakent
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het hek om de tuin was nieuw.
• Ze klom over het hek.
een groot vrouwelijk landbouwdier dat melk produceert
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De koe staat in de wei te grazen.
• De boer melkt elke ochtend de koe.
een groot zoogdier dat als rijdier of trekdier gebruikt wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze rijdt al twintig jaar op een paard.
• Het paard graasde rustig in de wei.
een roze huisdier met een korte snuit dat op boerderijen gehouden wordt voor zijn vlees
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het varken wroet in de modder.
• Op de boerderij lopen drie varkens rond.
een wollig landbouwdier dat gehouden wordt voor zijn wol en vlees
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De boer scheert het schaap in het voorjaar.
• Een kudde schapen graast op de heuvel.
Een tam gevogelte dat gehouden wordt voor eieren en vlees
zelfstandig naamwoord
Examples:
• We eten vanavond kip met groenten.
• De kippen in de schuur legden elke dag eieren.
een gehoornd landbouwdier dat bekend staat om zijn melk en eigenzinnig gedrag
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De geit klimt gemakkelijk over de rotsen.
• Ze maakt kaas van de melk van haar geiten.
een lastdier met lange oren dat verwant is aan het paard
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De ezel draagt een zware lading over het pad.
• Het kind mocht op de ezel rijden op de kinderboerderij.
een watervogelsoort met een platte snavel die in vijvers en sloten leeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De eend zwemt rustig over het water.
• Kinderen gooien brood naar de eenden in het park.
een mannelijke kip die 's ochtends vroeg kraait
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De haan kraait bij zonsopgang.
• Op de boerderij heeft elke kippenkudde één haan.
een mannelijk rund dat niet gecastreerd is
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De stier stond dreigend aan het hek van de wei.
• Een stier kan gevaarlijk zijn voor mensen die het weiland betreden.
een jong schaap dat nog bij zijn moeder drinkt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het lam volgt zijn moeder overal naartoe.
• In de lente worden er veel lammetjes geboren op de boerderij.
een grote vogel die op boerderijen gehouden wordt en traditioneel gegeten wordt bij feestdagen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kalkoen loopt over het erf van de boerderij.
• Met kerstmis eten sommige families een gebraden kalkoen.
Een bijgebouw voor opslag of landbouw
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De landbouwwerktuigen stonden in de schuur.
• Ze verbouwden de oude schuur tot woonruimte.
Een gebouw voor het onderbrengen van dieren, met name paarden; ook verleden tijd van 'stelen'
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De paarden stonden in de stal.
• Hij stal geld uit de kassa.
gedroogd gras dat als voer voor landbouwdieren wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De boer stapelt het hooi in de schuur.
• De paarden eten 's winters hooi omdat er geen vers gras is.
een langwerpige bak waar dieren voer of water uit drinken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De boer vult de trog met water voor de varkens.
• De koeien dronken beurtelings uit de houten trog.
een stuk grasland waarop dieren buiten grazen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De koeien lopen de hele zomer in de weide.
• Achter het huis ligt een groene weide met schapen.
een leren zitplaats die op de rug van een paard bevestigd wordt voor de ruiter
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze legde het zadel op de rug van het paard.
• Een goed zadel is belangrijk voor zowel paard als ruiter.