Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Nature
  3. Farm Animals

Farm Animals

Animals and items found on a farm

Basic
Nature
koe
/ku/

een groot vrouwelijk landbouwdier dat melk produceert

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De koe staat in de wei te grazen.

• De boer melkt elke ochtend de koe.

paard
/paːrt/

een groot zoogdier dat als rijdier of trekdier gebruikt wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze rijdt al twintig jaar op een paard.

• Het paard graasde rustig in de wei.

varken
/ˈvɑrkən/

een roze huisdier met een korte snuit dat op boerderijen gehouden wordt voor zijn vlees

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het varken wroet in de modder.

• Op de boerderij lopen drie varkens rond.

schaap
/sxaːp/

een wollig landbouwdier dat gehouden wordt voor zijn wol en vlees

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De boer scheert het schaap in het voorjaar.

• Een kudde schapen graast op de heuvel.

kip
/kɪp/

Een tam gevogelte dat gehouden wordt voor eieren en vlees

zelfstandig naamwoord

Examples:

• We eten vanavond kip met groenten.

• De kippen in de schuur legden elke dag eieren.

geit
/ɣɛi̯t/

een gehoornd landbouwdier dat bekend staat om zijn melk en eigenzinnig gedrag

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De geit klimt gemakkelijk over de rotsen.

• Ze maakt kaas van de melk van haar geiten.

ezel
/ˈeːzəl/

een lastdier met lange oren dat verwant is aan het paard

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De ezel draagt een zware lading over het pad.

• Het kind mocht op de ezel rijden op de kinderboerderij.

eend
/eːnt/

een watervogelsoort met een platte snavel die in vijvers en sloten leeft

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De eend zwemt rustig over het water.

• Kinderen gooien brood naar de eenden in het park.

haan
/haːn/

een mannelijke kip die 's ochtends vroeg kraait

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De haan kraait bij zonsopgang.

• Op de boerderij heeft elke kippenkudde één haan.

stier
/stir/

een mannelijk rund dat niet gecastreerd is

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De stier stond dreigend aan het hek van de wei.

• Een stier kan gevaarlijk zijn voor mensen die het weiland betreden.

lam
/lɑm/

een jong schaap dat nog bij zijn moeder drinkt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het lam volgt zijn moeder overal naartoe.

• In de lente worden er veel lammetjes geboren op de boerderij.

kalkoen
/kɑlˈkun/

een grote vogel die op boerderijen gehouden wordt en traditioneel gegeten wordt bij feestdagen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De kalkoen loopt over het erf van de boerderij.

• Met kerstmis eten sommige families een gebraden kalkoen.

schuur
/sxuːr/

Een bijgebouw voor opslag of landbouw

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De landbouwwerktuigen stonden in de schuur.

• Ze verbouwden de oude schuur tot woonruimte.

stal
/stɑl/

Een gebouw voor het onderbrengen van dieren, met name paarden; ook verleden tijd van 'stelen'

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De paarden stonden in de stal.

• Hij stal geld uit de kassa.

hooi
/hoːi̯/

gedroogd gras dat als voer voor landbouwdieren wordt gebruikt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De boer stapelt het hooi in de schuur.

• De paarden eten 's winters hooi omdat er geen vers gras is.

hek
/hɛk/

een omheining van metaal of hout die een erf of tuin afbakent

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Het hek om de tuin was nieuw.

• Ze klom over het hek.

trog
/trɔx/

een langwerpige bak waar dieren voer of water uit drinken

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De boer vult de trog met water voor de varkens.

• De koeien dronken beurtelings uit de houten trog.

weide
/ˈʋɛi̯də/

een stuk grasland waarop dieren buiten grazen

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De koeien lopen de hele zomer in de weide.

• Achter het huis ligt een groene weide met schapen.

zadel
/ˈzaːdəl/

een leren zitplaats die op de rug van een paard bevestigd wordt voor de ruiter

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze legde het zadel op de rug van het paard.

• Een goed zadel is belangrijk voor zowel paard als ruiter.