Polidict Logo
Open appSign in

Stay in touch

Get product updates and new feature notes.

Enter your email
Subscribe

Contact Us

Report issues or make a request by email support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Follow Us

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Site Language & Theme

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Food
  3. Everyday Vegetables

Everyday Vegetables

Everyday vegetables used in most cooking

Basic
Food
tomaat
/toːˈmaːt/

een rood, sappig vruchtgroente dat veel gebruikt wordt in de keuken

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze sneed de tomaat in plakjes voor de salade.

• De soep is gemaakt van verse tomaten uit de tuin.

aardappel
/ˈaːrdɑpəl/

een zetmeelrijke knol die onder de grond groeit en als basisvoedsel wordt gegeten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• We aten gekookte aardappelen met groente en vlees.

• Hij schilde de aardappelen voor het avondeten.

wortel
/ˈwɔrtəl/

een oranje wortelgroente met een zoete smaak die rauw of gekookt gegeten wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• De kinderen knabbelden op rauwe wortels als tussendoortje.

• Ze raspte een wortel door de salade voor extra kleur.

ui
/œy/

een bolgewas met een scherpe geur en smaak dat veel gebruikt wordt als smaakmaker in gerechten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze bakte de ui in boter totdat hij glazig was.

• Zonder ui smaakt de soep veel minder lekker.

knoflook
/ˈknɔfloːk/

een bolgewas met een sterke, kenmerkende geur dat als smaakmaker in de keuken wordt gebruikt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Hij perste twee teentjes knoflook uit voor de saus.

• De pasta smaakt heerlijk met olijfolie en knoflook.

maïs
/maˈɪs/

een graangewas met gele korrels op een kolf dat als groente of grondstof wordt gebruikt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze gooide een kolf maïs op de barbecue.

• De boer verbouwde maïs op zijn akker.

peper
/ˈpeːpər/

een grote, holle vruchtgroente in rood, geel of groen die rauw of gebakken gegeten wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze sneed een rode peper in reepjes voor de wokschotel.

• De gevulde paprika's stonden al in de oven.

komkommer
/ˈkɔmkɔmər/

een langwerpige, groene vruchtgroente met een waterrijk vruchtvlees die veel in salades wordt gebruikt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze sneed de komkommer in dunne plakjes voor de salade.

• Een komkommer bestaat voor meer dan negentig procent uit water.

broccoli
/ˈbrɔkoli/

een groene koolsoort met dichte roosjes die gestoomd of gekookt als groente gegeten wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze stoomde de broccoli kort zodat hij nog knapperig bleef.

• Broccoli bevat veel vitamine C en is goed voor je.

kool
/koːl/

een ronde bladgroente met stevige, dicht op elkaar gepakte bladeren die rauw of gekookt gegeten wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze maakte zuurkool van witte kool voor bij de worst.

• De boerenkool is in de winter het lekkerst na de eerste vorst.

sla
/slaː/

een bladgewas dat vaak rauw gegeten wordt in salades

zelfstandig naamwoord

Examples:

• We hebben verse sla gekocht voor de salade.

• Sla groeit het beste in koelere klimaten.

paddenstoel
/ˈpɑdənˌstuːl/

een schimmel met een hoed en steel die als eetbare groente wordt gebruikt of in het wild groeit

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze bakte de paddenstoelen met knoflook en peterselie.

• In het bos vond hij een grote eetbare paddenstoel.

erwt
/ɛrt/

een klein, rond, groen zaadje dat in een peul groeit en als groente wordt gegeten

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze voegde een handvol erwten toe aan de risotto.

• Erwtensoep met spek is een klassiek Nederlands wintergerecht.

boon
/boːn/

een peulvrucht waarvan het zaad of de gehele peul als groente gegeten wordt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze kookte sperziebonen als bijgerecht bij het vlees.

• Bruine bonen met spek is een traditioneel Nederlands gerecht.

selderij
/ˈsɛldəˌrɛi/

een groentegewas met knapperige stengels en uitgesproken smaak dat in soepen en salades wordt gebruikt

zelfstandig naamwoord

Examples:

• Ze sneed een stengel selderij fijn voor de groentesoep.

• Knolselderij is een populaire wintergroente in Nederland.