een strook gaas of doek die om een wond wordt gewikkeld ter bescherming en genezing
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De verpleegkundige legde een schoon verband om de wond.
• Hij moest elke dag een nieuw verband om zijn enkel.
een voertuig ingericht voor het vervoer van zieken of gewonden naar een ziekenhuis
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De ambulance arriveerde snel na het ongeluk.
• Hij belde 112 en vroeg om een ambulance.
een plotselinge gevaarlijke situatie die onmiddellijk ingrijpen vereist
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Bij een noodgeval moet je meteen 112 bellen.
• De dokter bleef na sluitingstijd voor een medisch noodgeval.
het onderlopen van normaal droog land door een overvloed aan water
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De overstroming na de hevige regenval verwoestte tientallen huizen.
• De bewoners werden geëvacueerd vanwege de naderende overstroming.
een situatie of omstandigheid die schade, letsel of verlies kan veroorzaken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Roken brengt ernstig gevaar voor de gezondheid met zich mee.
• Ze liep gevaar door de gladde ijsvloer.
de toestand van vrij zijn van gevaar of risico
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De veiligheid van kinderen heeft prioriteit.
• Er zijn maatregelen getroffen voor de veiligheid.
de vlam en hitte die vrijkomen bij verbranding
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze stookten een vuur om zich te warmen.
• Het vuur verspreidde zich snel door het droge gras.
een onvoorziene gebeurtenis die schade, letsel of verlies veroorzaakt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er is een ernstig ongeluk gebeurd op de snelweg.
• Ze brak haar arm bij een ongeluk met de fiets.
een plotselinge trilling van de aardkorst veroorzaakt door bewegingen van tektonische platen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De aardbeving verwoestte honderden huizen in de regio.
• Japan wordt regelmatig getroffen door aardbevingen.
een waarschuwingssignaal of toestand van verhoogde waakzaamheid
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het alarm ging af om drie uur 's nachts.
• Ze sloeg alarm over de gevaarlijke situatie.
het georganiseerd verplaatsen van mensen weg uit een gevaarlijk gebied
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Bij de brand werd een evacuatie van het gebouw uitgevoerd.
• De evacuatie van de kustbewoners verliep ordelijk voor de komst van de orkaan.
de directe medische verzorging die aan een gewonde of zieke persoon wordt gegeven voordat professionele hulp arriveert
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze had een cursus eerste hulp gedaan en wist hoe ze moest reanimeren.
• Het is verstandig om een eerste hulpkit in de auto te bewaren.
een plat draagbaar waarop een gewonde of zieke persoon liggend wordt vervoerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De ambulancemedewerkers droegen de patiënt op een brancard naar de ambulance.
• De gewonde werd op een brancard uit het gebouw gedragen.
bevrijden van gevaar; ook: het net halen of kunnen afmaken
werkwoord
Examples:
• Ze reddde haar zusje uit het water.
• Kunnen we dit op tijd redden?
een plek waar mensen bescherming zoeken tegen gevaar, slecht weer of vijanden
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Tijdens de storm zochten de wandelaars een schuilplaats in een verlaten boerderij.
• De vluchtelingen vonden een tijdelijke schuilplaats in de school.
een bericht of signaal dat iemand waarschuwt voor gevaar of een ongewenste situatie
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De politie gaf een waarschuwing.
• Hij negeerde de waarschuwingssignalen.
een draagbaar apparaat dat een blusmiddel uitspuit om een brand te blussen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Er hangt een brandblusser bij de ingang van elk kantoor.
• Hij greep de brandblusser en doofde het vuur in de keuken.
een harde beschermende hoofdbedekking die het hoofd beschermt tegen klappen of vallende voorwerpen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Fietsers zijn verplicht een helm te dragen op de racebaan.
• De bouwvakker zette zijn helm op voordat hij het terrein betrad.
een luid alarmsignaal dat wordt gebruikt op hulpdienstvoertuigen zoals ambulances en brandweerauto's
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De sirene van de ambulance was van ver te horen terwijl het voertuig door de stad reed.
• Automobilisten moeten aan de kant gaan als ze een sirene horen.
medewerker die noodoproepen aanneemt en hulpdiensten coördineert vanuit een meldkamer
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De centralist stuurde direct een ambulance naar het ongeluk.
• Ze werkt als centralist bij de politiemeldkamer.