in een goede lichamelijke of geestelijke toestand; niet ziek
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze eet gezond en sport regelmatig.
• Ik hoop dat je snel gezond wordt.
geteeld of geproduceerd zonder gebruik van kunstmest of chemische bestrijdingsmiddelen
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze koopt alleen biologisch vlees bij de lokale slager.
• Biologische groenten zijn vaak duurder dan gewone groenten.
Recent geproduceerd, niet oud; ook: een strofe in een gedicht
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ze kochten vers brood bij de bakker.
• Het eerste vers van het gedicht was ontroerend.
bewaard door bevriezing, zoals voedsel dat op lage temperatuur wordt opgeslagen
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ik heb ingevroren groenten in de vriezer liggen.
• Ingevroren vis blijft maandenlang goed.
verpakt en bewaard in een gesloten blik of blikje
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Ingeblikt tomaten zijn handig om altijd in huis te hebben.
• Hij opende een blikje ingeblikt fruit voor het dessert.
specifiek eetpatroon dat iemand volgt om gezondheids- of gewichtsdoelen te bereiken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze volgt een streng dieet om af te vallen.
• Zijn arts adviseerde een zoutarm dieet vanwege zijn bloeddruk.
voedsel dat men eet voor gezondheid en energie; ook de voeding van elektrische apparaten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Goede voeding is essentieel voor een gezond leven.
• De voeding van de laptop was kapot.
plantaardig bestanddeel in voeding dat de spijsvertering bevordert
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Volkoren brood bevat veel vezels.
• Een dieet rijk aan vezels is goed voor de darmen.
voedingsstof die opgebouwd is uit aminozuren en essentieel is voor spieropbouw en herstel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Vlees, vis en bonen zijn goede bronnen van eiwit.
• Sporters hebben meer eiwit nodig om spieren op te bouwen.
organische stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft voor een goede gezondheid
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Sinaasappels bevatten veel vitamine C.
• Een tekort aan vitamine D kan leiden tot botproblemen.
eenheid die de hoeveelheid energie in voedsel aangeeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Een appel bevat ongeveer tachtig calorieën.
• Hij let goed op zijn calorie-inname om op gewicht te blijven.
zaadgewas zoals tarwe, rogge of haver dat als basisvoedsel wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Volkorenbrood is gemaakt van volkorenmeel van graan.
• De boer verbouwde graan op zijn akkers.
weinig of geen vet bevattend, zoals vlees of zuivel
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• De arts adviseerde hem mager vlees te eten in plaats van vet vlees.
• Ze koos magere yoghurt omdat ze op haar gewicht lette.
de eetbare, zoete vruchten van planten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze eet elke dag vers fruit.
• Het fruit ligt in de schaal op tafel.
eetbare planten of plantendelen die als voedsel worden gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze kocht verse groenten op de markt.
• Kinderen eten niet altijd graag groenten, maar ze zijn heel gezond.
gerecht van rauwe of gekookte groenten, vaak met een dressing
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze maakte een frisse salade met tomaat en komkommer.
• Als lunch nam hij altijd een salade mee naar kantoor.
de hoeveelheid eten die aan één persoon wordt geserveerd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De portie friet was zo groot dat ik hem niet op kon.
• Kun je een halve portie bestellen, want ik heb geen grote honger?
bijwoord dat een hoge mate aanduidt, of bijvoeglijk naamwoord dat volledigheid aanduidt
bijwoord
Examples:
• Ze is heel vriendelijk tegen iedereen.
• Hij heeft de hele dag gewerkt.
bijwoord dat vanzelfsprekendheid benadrukt, of bijvoeglijk naamwoord dat iets uit de natuur aanduidt
bijwoord
Examples:
• Natuurlijk kan ik je helpen.
• Ze gebruikt alleen natuurlijke ingrediënten.
een evenwichtige verdeling of toestand; ook een financieel overzicht van activa en passiva
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze probeerde de balans te bewaren tussen werk en privé.
• De boekhouder maakte de jaarlijkse balans op.