Polidict Logo
Sign in
Polidict Logo
Sign in

Polidict news

Hear about new features and updates to Polidict.

Your email address
Subscribe

Support

Have a question or found a problem? Email us at support@polidict.com

Pages

HomeAbout UsBlogPricingRoadmap

Collections

English WordsSpanish WordsUkrainian WordsPolish WordsFrench WordsGerman WordsItalian WordsKorean WordsJapanese WordsSwedish WordsArabic WordsDutch WordsChinese Words

Find us online

XThreadsMastodonBlueskyLinkedIn

Language and appearance

en
System

Made by Maksym Solomkin, © 2026

🇺🇦 Stand with Ukraine
Privacy PolicyTerms of Service
  1. Collections
  2. Food
  3. Eating Healthy

Eating Healthy

Nutrition and healthy eating words

20 words · Dutch (Netherlands)

Difficulty
Intermediate
Topic
Food
Eating Healthy

gezond

/ˈxeːzɔnt/

  1. in een goede lichamelijke of geestelijke toestand; niet ziek

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Ze eet gezond en sport regelmatig.
    • Ik hoop dat je snel gezond wordt.

biologisch

/ˌbioːˈloːɣis/

  1. geteeld of geproduceerd zonder gebruik van kunstmest of chemische bestrijdingsmiddelen

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Ze koopt alleen biologisch vlees bij de lokale slager.
    • Biologische groenten zijn vaak duurder dan gewone groenten.

vers

/vɛrs/

  1. Recent geproduceerd, niet oud; ook: een strofe in een gedicht

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Ze kochten vers brood bij de bakker.
    • Het eerste vers van het gedicht was ontroerend.

ingevroren

/ˌɪŋəˈvroːrə(n)/

  1. bewaard door bevriezing, zoals voedsel dat op lage temperatuur wordt opgeslagen

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Ik heb ingevroren groenten in de vriezer liggen.
    • Ingevroren vis blijft maandenlang goed.

ingeblikt

/ˌɪŋəˈblɪkt/

  1. verpakt en bewaard in een gesloten blik of blikje

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • Ingeblikt tomaten zijn handig om altijd in huis te hebben.
    • Hij opende een blikje ingeblikt fruit voor het dessert.

dieet

/diˈeːt/

  1. specifiek eetpatroon dat iemand volgt om gezondheids- of gewichtsdoelen te bereiken

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze volgt een streng dieet om af te vallen.
    • Zijn arts adviseerde een zoutarm dieet vanwege zijn bloeddruk.

voeding

/ˈvudɪŋ/

  1. voedsel dat men eet voor gezondheid en energie; ook de voeding van elektrische apparaten

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Goede voeding is essentieel voor een gezond leven.
    • De voeding van de laptop was kapot.

vezel

/ˈveːzəl/

  1. plantaardig bestanddeel in voeding dat de spijsvertering bevordert

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Volkoren brood bevat veel vezels.
    • Een dieet rijk aan vezels is goed voor de darmen.

eiwit

/ˈɛi̯ʋɪt/

  1. voedingsstof die opgebouwd is uit aminozuren en essentieel is voor spieropbouw en herstel

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Vlees, vis en bonen zijn goede bronnen van eiwit.
    • Sporters hebben meer eiwit nodig om spieren op te bouwen.

vitamine

/ˌviːtaːˈmiːnə/

  1. organische stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft voor een goede gezondheid

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Sinaasappels bevatten veel vitamine C.
    • Een tekort aan vitamine D kan leiden tot botproblemen.

calorie

/ˌkaːloːˈriː/

  1. eenheid die de hoeveelheid energie in voedsel aangeeft

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Een appel bevat ongeveer tachtig calorieën.
    • Hij let goed op zijn calorie-inname om op gewicht te blijven.

graan

/ɣraːn/

  1. zaadgewas zoals tarwe, rogge of haver dat als basisvoedsel wordt gebruikt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Volkorenbrood is gemaakt van volkorenmeel van graan.
    • De boer verbouwde graan op zijn akkers.

mager

/ˈmaːɣər/

  1. weinig of geen vet bevattend, zoals vlees of zuivel

    bijvoeglijk naamwoord

    Examples

    • De arts adviseerde hem mager vlees te eten in plaats van vet vlees.
    • Ze koos magere yoghurt omdat ze op haar gewicht lette.

fruit

/frœyt/

  1. de eetbare, zoete vruchten van planten

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze eet elke dag vers fruit.
    • Het fruit ligt in de schaal op tafel.

groenten

/ˈɣrutə(n)/

  1. eetbare planten of plantendelen die als voedsel worden gebruikt

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze kocht verse groenten op de markt.
    • Kinderen eten niet altijd graag groenten, maar ze zijn heel gezond.

salade

/saːˈlaːdə/

  1. gerecht van rauwe of gekookte groenten, vaak met een dressing

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze maakte een frisse salade met tomaat en komkommer.
    • Als lunch nam hij altijd een salade mee naar kantoor.

portie

/ˈpɔr.tsi/

  1. de hoeveelheid eten die aan één persoon wordt geserveerd

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • De portie friet was zo groot dat ik hem niet op kon.
    • Kun je een halve portie bestellen, want ik heb geen grote honger?

heel

/heːl/

  1. bijwoord dat een hoge mate aanduidt, of bijvoeglijk naamwoord dat volledigheid aanduidt

    bijwoord

    Examples

    • Ze is heel vriendelijk tegen iedereen.
    • Hij heeft de hele dag gewerkt.

natuurlijk

/ˈnaːtyːrlɛik/

  1. bijwoord dat vanzelfsprekendheid benadrukt, of bijvoeglijk naamwoord dat iets uit de natuur aanduidt

    bijwoord

    Examples

    • Natuurlijk kan ik je helpen.
    • Ze gebruikt alleen natuurlijke ingrediënten.

balans

/ˈbaːlɑns/

  1. een evenwichtige verdeling of toestand; ook een financieel overzicht van activa en passiva

    zelfstandig naamwoord

    Examples

    • Ze probeerde de balans te bewaren tussen werk en privé.
    • De boekhouder maakte de jaarlijkse balans op.