een voedingsmiddel gemaakt van stremsel gewei melk, verkrijgbaar in vele soorten en smaken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Nederland is beroemd om zijn kaas.
• Ze at een boterham met kaas.
het vette, romige gedeelte van melk dat wordt gebruikt in de keuken en voor slagroom
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze voegde een scheutje room toe aan de soep voor een rijkere smaak.
• Voor dit recept heb je slagroom nodig om de room op te kloppen.
een geel zuivelproduct gemaakt van gekarnde room, gebruikt om op brood te smeren of mee te bakken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze smeert 's ochtends boter op haar boterham.
• In dit recept bak je de ui in een klontje boter.
het ovale voortplantingslichaam van vogels of reptielen, of een kippenei als voedsel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze kookte een ei voor haar ontbijt.
• Vogels leggen eieren.
een dik, zuur zuivelproduct dat ontstaat door melk te fermenteren met melkzuurbacteriën
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze eet elke ochtend yoghurt met fruit als ontbijt.
• Griekse yoghurt is dikker en romiger dan gewone yoghurt.
Examples:
• Hij drinkt elke ochtend een glas melk.
• Koeien geven melk.