een ronde vrucht met een rode, gele of groene schil en wit vruchtvlees
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze at elke dag een appel.
• De appelboom in de tuin geeft elk jaar veel vruchten.
een langwerpig, geel tropisch fruit met een zachte, zoete binnenkant
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze at elke ochtend een banaan bij haar ontbijt.
• De banaan werd bruiner naarmate hij rijper werd.
een rond citrusvrucht met een oranje schil en sappig, zoetzuur vruchtvlees
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij perste drie sinaasappels uit voor een glas vers sap.
• De sinaasappel was zo sappig dat het sap over zijn handen liep.
een klein, rond vruchtje dat in trossen aan een wijnstok groeit en zowel vers gegeten als tot wijn verwerkt wordt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze plukten een tros druiven van de wijnstok in de tuin.
• Rode druiven zijn zoeter dan groene druiven.
een geel citrusvrucht met een zeer zuur sap dat veel in de keuken wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze kneep wat citroensap over de vis voordat ze hem serveerde.
• Een schijfje citroen maakt het water frisser van smaak.
een kleine, groene citrusvrucht met een zuur sap dat veel in tropische keukens en cocktails wordt gebruikt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De mojito kreeg zijn frisse smaak van vers limoensap.
• Ze raasde een limoen boven de guacamole om hem frisser te maken.
een kleine, ronde steenvrucht die rood of donkerrood van kleur is en zoet of licht zuur smaakt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze plukten kersen van de boom en aten ze direct op.
• Een kers op de taart maakt hem nog aantrekkelijker.
een rood, hartvormig zomerfruit met kleine gele zaadjes op de buitenkant en een zoete smaak
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De kinderen aten aardbeien met slagroom als toetje.
• In juni zijn de aardbeien het zoetst en goedkoopst.
een groen of geel fruit met een brede onderkant en een smallere steel, met sappig en zacht vruchtvlees
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij at een rijpe peer als tussendoortje na het sporten.
• De peer was zo sappig dat het sap langs zijn kin druppelde.
een rond, zacht zomerfruit met een fluweelachtige geel-rode schil en een grote pit binnenin
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De perzik was zo rijp dat het sap over haar handen liep.
• Hij sneed de perzik doormidden en verwijderde de pit.
een tropisch fruit met een groene of oranje-rode schil, geel sappig vruchtvlees en een zoete, aromatische smaak
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze maakte een smoothie van mango en kokosmelk.
• De rijpe mango rook heerlijk zoet toen ze hem aansneed.
een groot tropisch fruit met een ruwe, schildachtige schil en zoetzuur geel vruchtvlees met een kroon van stijve bladeren
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij sneed de ananas in ringen en legde ze op de grill.
• Ananas op pizza is voor sommigen een omstreden keuze.
een grote vrucht met een groene schil, rood sappig vruchtvlees en zwarte pitten, die veel water bevat en verfrissend smaakt
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Op een hete zomerdag is een plak watermeloen ideaal.
• Ze klopte op de watermeloen om te horen of hij hol klonk en dus rijp was.
een ronde of ovale vrucht met een dikke schil en zoet, sappig vruchtvlees dat geel, oranje of groen kan zijn
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze serveerde schijfjes meloen als voorgerecht bij de ham.
• De honingmeloen was zo zoet dat het net dessert leek.
een peervormig tropisch fruit met een donkergroene of paarse schil, romig groen vruchtvlees en een grote ronde pit
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze smeerde avocado op haar toast en bestrooide het met chilivlokken.
• De avocado was rijp genoeg om direct op te eten.
een grote, ronde vrucht van de kokospalm met een harde, harige schil, wit vruchtvlees en een heldere vloeistof binnenin
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij boorde een gat in de kokosnoot en dronk het kokoswater rechtstreeks.
• Geraspte kokosnoot wordt veel gebruikt in tropische desserts.
een klein, ovaal fruit met een bruine, ruwe schil en felgroen of geel vruchtvlees met kleine zwarte zaadjes
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze schepte het groene vruchtvlees van de kiwi met een lepeltje uit.
• Een kiwi bevat meer vitamine C dan een sinaasappel.
een peer- of druppelvormig fruit met een paarse of groene schil en zoet, rood vruchtvlees vol kleine zaadjes
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze legde verse vijgen op een bord met geitenkaas en honing.
• Gedroogde vijgen zijn het hele jaar door verkrijgbaar in de supermarkt.