het getal 100, tien maal tien
telwoord
Examples:
• Er waren honderd mensen aanwezig.
• Ze heeft honderd euro betaald.
Het getal 1000.
noun
Examples:
• Er waren duizend mensen aanwezig bij het concert.
• Ik heb hem minstens duizend keer verteld dat niet te doen.
het getal 1.000.000; duizend maal duizend
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Nederland heeft zeventien miljoen inwoners.
• Ze heeft een miljoen euro gewonnen.
duizend miljoen; het getal 1.000.000.000
telwoord
Examples:
• De overheid investeert drie miljard euro in de infrastructuur.
• Er zijn meer dan acht miljard mensen op aarde.
een groep van twaalf stuks van hetzelfde
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Ze kocht een dozijn eieren bij de boer.
• Hij bestelde twee dozijn rozen voor het feest.
een van de twee gelijke delen van een geheel
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Hij at de helft van de pizza op.
• De helft van de leerlingen had het huiswerk niet gemaakt.
een vierde deel van iets; ook gebruikt bij tijdsaanduiding voor 15 minuten
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Een kwart van de bevolking stemt op die partij.
• Het is kwart voor drie.
Tweemaal zoveel in aantal, omvang of omvang.
adjective
Examples:
• Hij bestelde een dubbel espresso.
• Deze kamer heeft een dubbel bed.
drie keer zo groot, zo veel of zo vaak; uit drie delen bestaand
bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Hij won een drievoudige gouden medaille op het kampioenschap.
• De drievoudige portie was meer dan genoeg voor drie personen.
een honderdste deel van een geheel; aangeduid met het teken %
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Tachtig procent van de bevolking steunt het plan.
• De rente stijgt met twee procent.
een getal dat bestaat uit een teller en een noemer, gescheiden door een breukstreep, dat een deel van een geheel aangeeft
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Een half wordt als breuk geschreven als 1/2.
• Op school leren kinderen hoe ze breuken kunnen optellen en aftrekken.
een getal uitgedrukt in het tientallig stelsel, waarbij cijfers achter de komma een breukdeel aangeven
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het getal 3,14 is een decimaal dat de waarde van pi benadert.
• Reken het percentage om naar een decimaal door het door honderd te delen.
de wiskundige bewerking waarbij twee of meer getallen bij elkaar worden opgeteld
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Optelling is een van de eerste wiskundige bewerkingen die kinderen leren.
• De som van de optelling 5 + 3 is 8.
de rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal wordt afgetrokken
zelfstandig naamwoord
Examples:
• De leerlingen oefenden aftrekking met grote getallen.
• Bij aftrekking van vijf van twaalf krijg je zeven.
de rekenkundige bewerking waarbij twee getallen met elkaar worden vermenigvuldigd
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Vermenigvuldiging is een snellere manier om herhaalde optelling uit te voeren.
• Ze leerde de tafels van vermenigvuldiging uit haar hoofd.
de rekenkundige bewerking waarbij een getal door een ander getal wordt gedeeld
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Bij deling van twaalf door drie krijg je vier.
• De leerling maakte een fout bij de deling van grote getallen.
Een manier om te laten zien hoe twee dingen zich tot elkaar verhouden.
noun
Examples:
• De vergelijking tussen de twee economieën was opmerkelijk.
• Hij maakte een vergelijking van hun prestaties.
door middel van rekenen of redeneren tot een uitkomst of resultaat komen
werkwoord
Examples:
• Ze berekende de totale prijs van alle boodschappen in haar hoofd.
• De ingenieur berekende hoeveel materiaal nodig was voor de brug.
het geheel; de som van alles
zelfstandig naamwoord / bijvoeglijk naamwoord
Examples:
• Het totaal bedraagt honderd euro.
• Hij was totaal verrast door het nieuws.
het rekenkundige midden van een reeks getallen
zelfstandig naamwoord
Examples:
• Het gemiddelde cijfer was een zeven.
• Ze verdient boven het gemiddelde.